bvie.nl
binnenkort is bvie.nl volledig operationeel en vrij toegankelijk
welkom op bvie.nl
BENELUX merken -
modellen
een website toegewijd aan het geldende merken- en modellenrecht
in de Benelux
advocaten, merkgemachtigden en studenten opgelet!
op 1 september 2006 is het BVIE in werking getreden
BVIE : Benelux-verdrag inzake de
intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen)
het nieuwe verdrag vervangt de Benelux Merkenwet (BMW) en de
Benelux Tekeningen- en modellenwet (BTMW)
BENELUX-VERDRAG INZAKE DE
INTELLECTUELE EIGENDOM (MERKEN EN TEKENINGEN OF MODELLEN)
TITEL I: ALGEMENE
EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Artikel 1.4
Rechtspersoonlijkheid
Artikel 1.6
Voorrechten en immuniteiten
Artikel 1.7
Bevoegdheden Comité van Ministers
Artikel 1.8
Samenstelling en werkwijze Raad van Bestuur
Artikel 1.9
Bevoegdheden Raad van Bestuur
Artikel
1.10 Directeur-Generaal
Artikel
1.11 Bevoegdheden Directeur-Generaal
Artikel
1.12 Financiën Organisatie
Artikel
1.13 Bemiddeling nationale diensten
Artikel
1.14 Erkenning rechterlijke beslissingen
Artikel
1.15 Benelux-Gerechtshof
Hoofdstuk 1.
Individuele merken
Artikel 2.1
Tekens die een Beneluxmerk kunnen vormen
Artikel 2.2
Verkrijging van het recht
Artikel 2.3
Rangorde van het depot
Hoofdstuk 2.
Depot, inschrijving en vernieuwing
Artikel 2.6
Beroep op voorrang
Artikel 2.9
Geldigheidsduur en vernieuwing
Artikel
2.10 Internationaal depot
Hoofdstuk 3.
Toetsing op absolute gronden
Artikel
2.11 Weigering op absolute gronden
Artikel
2.12 Beroep tegen de weigering
Artikel
2.13 Weigering op absolute gronden van internationale depots
Artikel
2.14 Instellen van de procedure
Artikel
2.15 Vertegenwoordiging bij oppositie
Artikel
2.16 Verloop van de procedure
Artikel
2.18 Oppositie tegen internationale depots
Hoofdstuk 5.
Rechten van de houder
Artikel
2.19 Registratieplicht
Artikel
2.20 Beschermingsomvang
Artikel
2.21 Schadevergoeding en andere vorderingen
Artikel
2.23 Beperking van het uitsluitend recht
Artikel
2.24 Rechtsverwerking wegens gedogen en verzetten tegen gebruik
Hoofdstuk 6.
Doorhaling, verval en nietigheid
Artikel
2.25 Doorhaling op verzoek
Artikel
2.26 Verval van het recht
Artikel
2.27 Inroepen van het verval
Artikel
2.28 Inroepen van de nietigheid
Artikel
2.29 Rechtsverwerking wegens gedogen en inroepen van nietigheid
Artikel
2.30 Reikwijdte van de nietig- en vervallenverklaring en vrijwillige doorhaling
Hoofdstuk 7.
Overgang, licentie en andere rechten
Hoofdstuk 8.
Collectieve merken
Artikel
2.34 Collectieve merken
Artikel
2.35 Overeenkomstige toepassing
Artikel
2.37 Reglement op het gebruik en toezicht
Artikel
2.39 Weigering van de inschrijving
Artikel
2.40 Wijziging reglement op het gebruik en toezicht
Artikel
2.41 Personen die het merkrecht kunnen inroepen
Artikel
2.42 Inroepen van verval door belanghebbenden
Artikel
2.43 Inroepen van de nietigheid door het Openbaar Ministerie
Hoofdstuk 9.
Bepalingen inzake Gemeenschapsmerken
Artikel
2.47 Inroepen van de nietigheid of het verval van het oudere recht
TITEL III:
TEKENINGEN OF MODELLEN
Hoofdstuk 1.
Tekeningen of modellen
Artikel 3.1
Tekeningen of modellen
Artikel 3.3
Nieuwheid en eigen karakter
Artikel 3.4
Onderdelen van samengestelde voortbrengselen
Artikel 3.5
Verkrijging van het recht
Artikel 3.7
Opeising van een depot
Artikel 3.8
Rechten van werk- en opdrachtgevers
Hoofdstuk 2.
Depot, inschrijving en vernieuwing
Artikel
3.10 Beroep op voorrang
Artikel
3.12 Opschorting publicatie op verzoek
Artikel
3.13 Strijd met openbare orde en goede zeden
Artikel
3.14 Geldigheidsduur en vernieuwing
Artikel
3.15 Internationale depots
Hoofdstuk 3.
Rechten van de houder
Artikel
3.16 Beschermingsomvang
Artikel
3.17 Schadevergoeding en andere vorderingen
Artikel
3.19 Beperking van het uitsluitend recht
Artikel
3.20 Recht van voorgebruik
Hoofdstuk 4.
Doorhaling, verval en nietigheid
Artikel
3.21 Doorhaling op verzoek
Artikel
3.22 Verval van het recht
Artikel
3.23 Inroepen van de nietigheid
Artikel
3.24 Reikwijdte van de nietig- en vervallenverklaring en de vrijwillige
doorhaling
Hoofdstuk 5.
Overgang, licentie en andere rechten
Hoofdstuk 6.
Samenloop met het auteursrecht
Artikel
3.29 Auteursrecht van werk - en opdrachtgevers
TITEL IV:
BEPALINGEN GEMEENSCHAPPELIJK AAN MERKEN EN TEKENINGEN OF MODELLEN
Hoofdstuk 1.
Gemachtigdenregister
Artikel 4.1
Algemene bepalingen inzake het gemachtigdenregister
Artikel 4.2
Beroep tegen weigering tot inschrijving in het register of erkenning diploma
Artikel 4.3
Misbruik door niet-ingeschreven personen
Hoofdstuk 2.
Overige taken van het Bureau
Hoofdstuk 3.
Rechterlijke bevoegdheid
Artikel 4.5
Geschillenbeslechting
Artikel 4.6
Territoriale bevoegdheid
Hoofdstuk 4.
Overige bepalingen
Artikel 4.7
Rechtstreekse werking
Artikel 4.8
Ander toepasselijk recht
Artikel 4.9
Rechten en termijnen
Artikel 5.1
De Organisatie rechtsopvolger van de Bureaus
Artikel 5.2
Beëindiging van de Benelux -verdragen inzake merken, tekeningen of modellen
Artikel 5.3
Eerbiediging van de bestaande rechten
Artikel 5.4
Openstelling per klasse van de oppositieprocedure
Artikel 5.5
Eerste uitvoeringsreglement
Artikel 6.3
Duur van het verdrag
Artikel 6.4
Protocol inzake voorrechten en immuniteiten
Artikel 6.5
Uitvoeringsreglement
Benelux-verdrag inzake de
intellectuele eigendom
(merken
en tekeningen of modellen)
Het Koninkrijk België,
Het Groothertogdom
Luxemburg,
Het Koninkrijk der
Nederlanden,
Bezield door de wens:
- de verdragen, de
eenvormige wetten en de wijzigingsprotocollen inzake
Benelux merken en tekeningen
of modellen te vervangen
door een enkel verdrag waarin zowel het merkenrecht als het tekeningen- of
modellenrecht systematisch en
overzichtelijk geregeld worden;
- snelle en efficiënte
procedures in te voeren voor de aanpassing van de Benelux -regelgeving aan de
Gemeenschapsregelgeving en
reeds door de drie Hoge Verdragsluitende Partijen
bekrachtigde
internationale verdragen;
- het Benelux-Merkenbureau
en het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen te
vervangen door de
Benelux -Organisatie voor
de Intellectuele Eigendom (merken, tekeningen of modellen) die door middel
van beslissings-
en uitvoeringsorganen met eigen en aanvullende bevoegdheden haar taak
uitoefent;
- de nieuwe Organisatie
een structuur te geven die de huidige opvattingen inzake
internationale
organisaties weerspiegelt en de onafhankelijkheid ervan, met name door
middel van een protocol inzake
voorrechten en immuniteiten,
garandeert;
- de nieuwe Organisatie
dichter bij het bedrijfsleven te brengen door de bevoegdheden ervan ten volle
te
benutten zodat ze nieuwe taken op
het gebied van de intellectuele eigendom kan vervullen en decentrale
bijkantoren kan oprichten;
- aan de nieuwe
Organisatie, op niet-exclusieve basis, een evaluatiebevoegdheid en
initiatiefrecht toe te
kennen bij de aanpassing van het
Benelux-recht inzake merken en tekeningen- of
modellen;
Hebben besloten te dien
einde een verdrag te sluiten en hebben hiertoe als hun Gevolmachtigden
aangewezen:
Zijne/Hare Excellentie de
Heer K. de Gucht, Minister van Buitenlandse Zaken,
Zijne/Hare Excellentie de
Heer B.R. Bot, Minister van Buitenlandse Zaken,
Zijne/Hare Excellentie de
Heer J. Asselborn, Minister van Buitenlandse Zaken,
die, na hun in goede en
behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende
bepalingen zijn overeengekomen:
In dit verdrag wordt
verstaan onder:
- Verdrag van Parijs: het
Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart
1883;
- Overeenkomst van Madrid:
de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van
merken van 14 april 1891;
- Protocol van Madrid: het
Protocol bij de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale
inschrijving van merken van 27 juni
1989;
- Overeenkomst van Nice:
de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale
classificatie van de waren en diensten
ten behoeve van de inschrijving van merken;
- Overeenkomst van
’s-Gravenhage: de Overeenkomst van ’s-Gravenhage betreffende het internationale
depot van tekeningen of
modellen van nijverheid van 6 november 1925;
- Gemeenschapsmerkenverordening:
de Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993
inzake het Gemeenschapsmerk;
- Gemeenschapsmodellenverordening:
de Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december
2001 betreffende
Gemeenschapsmodellen;
- TRIPS verdrag: de
Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de
Intellectuele Eigendom van 15
april 1994; bijlage
- Internationaal Bureau:
het Internationaal Bureau voor de intellectuele eigendom, zoals opgericht bij
het
Verdrag van 14 juli 1967
tot oprichting ven de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom.
1. Er wordt een Benelux
-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen),
hierna te noemen “de
Organisatie”, ingesteld.
2. De organen van de
Organisatie zijn:
a. het Comité van Ministers
als bedoeld in het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie,
hierna te noemen “het Comité van
Ministers”;
b. de Raad van Bestuur van
het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom
(merken en tekeningen of
modellen), hierna te noemen “de
Raad van Bestuur”;
c. het Benelux -Bureau voor
de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen), hierna te
noemen “het Bureau”.
De Organisatie heeft tot
taak:
a. de uitvoering van dit
verdrag en het uitvoeringsreglement;
b. de bevordering van de
bescherming van merken en tekeningen of modellen in de Benelux -landen;
c. de uitvoering van
aanvullende taken op andere gebieden van het recht inzake de intellectuele
eigendom, welk e de Raad van
Bestuur aanwijst;
d. voortdurende evaluatie
en, indien nodig, aanpassing van het Benelux-recht inzake merken en
tekeningen of modellen, in het licht
onder meer van de internationale en communautaire ontwikkelingen.
Artikel 1.4 Rechtspersoonlijkheid
1. De
Organisatie bezit internationale rechtspersoonlijkheid ter uitoefening van de
haar toebedeelde
taken.
2. De Organisatie bezit
nationale rechtspersoonlijkheid en heeft derhalve, op
het grondgebied van de drie
Benelux -landen, de
rechtsbevoegdheid die aan nationale rechtspersonen is toegekend, voor zover
nodig
voor de uitoefening van haar
taken en voor het bereiken van haar doelstellingen, in het bijzonder de
bevoegdheid om contracten te sluiten,
roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden,
particuliere en openbare gelden te
ontvangen en uit te geven en in rechte op te treden.
3. De Directeur-Generaal
van het Bureau, hierna te noemen “de Directeur-Generaal”,
vertegenwoordigt de
Organisatie in en buiten
rechte.
1. De Organisatie heeft
haar zetel te 's-Gravenhage.
2. Het Bureau is gevestigd
te 's-Gravenhage.
3. Er kunnen elders bijkantoren van het Bureau worden gevestigd.
Artikel 1.6 Voorrechten en immuniteiten
1. De voorrechten en
immuniteiten welke nodig zijn voor de uitoefening van de taken en het bereiken
van
de doelstellingen van de
Organisatie worden vastgelegd in een tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen
te sluiten protocol.
2. De Organisatie kan met
een of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen aanvullende overeenkomsten
aangaan in verband met de
vestiging van onderdelen van de Organisatie op het grondgebied van die staat
of die staten, teneinde met betrekking tot die staat of die staten
uitvoering te geven aan de bepalingen
van het overeenkomstig het
eerste lid vastgestelde protocol, alsmede andere regelingen treffen ter
waarborging van een goede
functionering van de Organisatie en ter beveiliging van haar belangen.
Artikel 1.7 Bevoegdheden Comité van Ministers
1. Het Comité van
Ministers is bevoegd in dit verdrag de wijzigingen aan te brengen die
noodzakelijk zijn
om de conformiteit van dit
verdrag met een internationaal verdrag of met de regelgeving van de Europese
Gemeenschap inzake merken en tekeningen of modellen te verzekeren. De
wijzigingen worden bekend
gemaakt in het officiële
publicatieblad van ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen.
2. Het Comité van
Ministers is bevoegd andere wijzigingen van dit verdrag, dan die bedoeld in het
eerste
lid, vast te stellen. Deze
zullen aan de Hoge Verdragsluitende Partijen ter instemming of goedkeuring
worden aangeboden.
3. Het Comité van
Ministers is bevoegd, de Raad van Bestuur gehoord hebbende, de Directeur-Generaal
te machtigen om namens de
Organisatie te onderhandelen en, met zijn toestemming, overeenkomsten
te sluiten met staten en met
intergouvernementele organisaties.
Artikel 1.8 Samenstelling en werkwijze Raad van Bestuur
1. De Raad van Bestuur is
samengesteld uit door de Hoge Verdragsluitende Partijen aangewezen leden
en wel één bestuurder en
twee plaatsvervangende bestuurders per land.
2. Hij besluit met algemene
stemmen.
3. Hij stelt zijn intern
reglement vast.
Artikel 1.9 Bevoegdheden Raad van Bestuur
1. De Raad van Bestuur is
bevoegd voorstellen te doen aan het Comité van Ministers inzake
wijzigingen
van dit verdrag die
noodzakelijk zijn om de conformiteit van dit verdrag met een internationaal
verdrag of
met regelgeving van de
Europese Gemeenschap te verzekeren en inzake andere wijzigingen van dit
verdrag die hij wenselijk acht.
2. Hij stelt het
uitvoeringsreglement vast.
3. Hij stelt het
huishoudelijke en het financiële reglement van het Bureau vast.
4. Hij wijst aanvullende
taken, als bedoeld in artikel 1.3 onder c, op andere gebieden van het recht inzake
de intellectuele eigendom
aan.
5. Hij besluit over het
vestigen van bijkantoren van het Bureau.
6. Hij benoemt de Directeur-Generaal en, de Directeur-Generaal
gehoord, de Adjunct-Directeuren-
Generaal en oefent te
hunnen aanzien de disciplinaire bevoegdheden uit.
7. Hij stelt jaarlijks de
begroting van inkomsten en van uitgaven vast, alsmede
zonodig de wijzigingen of
aanvullingen daarvan, en regelt in het
financiële reglement de wijze waarop het toezicht op de
begrotingen en op de uitvoering
daarvan zal worden uitgeoefend. Hij stelt de door de Directeur-Generaal
opgestelde jaarrekening vast.
Artikel 1.10 Directeur-Generaal
1. De leiding van het
Bureau berust bij de Directeur-Generaal die aan de
Raad van Bestuur
verantwoording is verschuldigd voor de
werkzaamheden van het Bureau.
2. De Directeur-Generaal
is bevoegd, de Raad van Bestuur gehoord hebbende, de uitoefening van
bepaalde hem toekomende
bevoegdheden te delegeren aan de Adjunct-Directeuren-Generaal.
3. De Directeur-Generaal
en de Adjunct-Directeuren-Generaal zijn onderdaan van
de lidstaten. De drie
nationaliteiten zijn binnen de directie
vertegenwoordigd.
Artikel 1.11 Bevoegdheden Directeur-Generaal
1. De Directeur-Generaal
doet voorstellen aan de Raad van Bestuur tot wijziging van het
uitvoeringsreglement.
2. Hij neemt alle
maatregelen, administratieve daaronder begrepen, om te zorgen voor een juiste
uitvoering van de taken van het
Bureau.
3. Hij voert het huishoudelijk en het financieel reglement van het Bureau uit
en doet voorstellen aan de
Raad van Bestuur tot
wijziging hiervan.
4. Hij benoemt de
personeelsleden en oefent de hiërarchische en disciplinaire bevoegdheden over
hen
uit.
5. Hij bereidt de
begroting voor, voert deze uit en stelt de jaarrekeningen op.
6. Hij neemt alle andere
maatregelen die hij wenselijk acht in het belang van het functioneren van het
Bureau.
Artikel 1.12 Financiën Organisatie
1. De lopende uitgaven van
de Organisatie worden gedekt door haar ontvangsten.
2. De Raad van Bestuur kan
bij de Hoge Verdragsluitende Partijen een bijdrage aanvragen, bestemd tot
dekking van buitengewone
uitgaven. Deze bijdrage wordt voor de helft door het Koninkrijk der
Nederlanden en voor de
helft door de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie
gedragen.
Artikel 1.13 Bemiddeling nationale diensten
1. Over het bedrag van de
rechten, geïnd terzake van door bemiddeling van de nationale diensten
verrichte handelingen, wordt aan
deze diensten een percentage uitgekeerd, bestemd tot dekking van de
kosten welke deze handelingen
meebrengen; dit percentage wordt vastgesteld bij uitvoeringsreglement.
2. Terzake van deze
handelingen kunnen door de nationale regelgevingen geen nationale rechten
worden
vastgesteld.
Artikel 1.14 Erkenning rechterlijke beslissingen
Het gezag van rechterlijke
beslissingen die in een van de drie staten met toepassing van dit verdrag
worden gegeven, wordt in de
beide andere staten erkend, en de door de rechter uitgesproken doorhaling
wordt door het Bureau op
verzoek van de meest gerede partij verricht, indien:
a. het van de beslissing
overgelegd afschrift, naar de wetgeving van het land waar deze beslissing is
gegeven, aan de voor de echtheid
van het afschrift nodige voorwaarden voldoet;
b. de beslissing niet meer
vatbaar is voor verzet, noch hoger beroep, noch voor voorziening in cassatie.
Artikel 1.15 Benelux-Gerechtshof
Het Benelux-Gerechtshof
als bedoeld in artikel 1 van het Verdrag betreffende de instelling en het
statuut
van een Benelux -Gerechtshof,
neemt kennis van de vragen van uitlegging van dit verdrag en het
uitvoeringsreglement, met uitzondering van
vragen van uitlegging betreffende het in artikel 1.6, eerste lid,
bedoelde protocol inzake
voorrechten en immuniteiten.
De toepassing van dit
verdrag is beperkt tot het grondgebied van het Koninkrijk België, het
Groothertogdom Luxemburg
en het Koninkrijk der Nederlanden in Europa, hierna te noemen “het
Benelux -gebied”.
TITEL II: MERKEN
Hoofdstuk 1.
Individuele merken
Artikel 2.1 Tekens die een Beneluxmerk kunnen vormen
1. Als individuele merken
worden beschouwd de benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters,
cijfers, vormen van waren of van
verpakking en alle andere voor grafische voorstelling vatbare tekens, die
dienen om de waren of diensten
van een onderneming te onderscheiden.
2. Evenwel
kunnen niet als merken worden beschouwd tekens die uitsluitend bestaan uit een
vorm die
door de aard van de waar wordt
bepaald, die een wezenlijke waarde aan de waar geeft of die noodzakelijk
is om een technische
uitkomst te verkrijgen.
3. Onverminderd de
bepalingen van het gemene recht, kan een geslachtsnaam als merk dienen.
Artikel 2.2 Verkrijging van het recht
Onverminderd het uit het
Verdrag van Parijs of het TRIPS verdrag voortvloeiende recht van voorrang,
wordt
het uitsluitend recht op een
merk verkregen door de inschrijving van het merk, waarvan het depot is
verricht binnen het Benelux-gebied (Benelux -depot) of voortvloeiend uit een
inschrijving bij het
Internationaal Bureau
(internationaal depot).
Artikel 2.3 Rangorde van het depot
Bij de beoordeling van de
rangorde van het depot wordt rekening gehouden met de op het tijdstip van het
depot bestaande en ten tijde
van het geding gehandhaafde rechten op:
a. gelijke, voor dezelfde
waren of diensten gedeponeerde merken;
b. gelijke of
overeenstemmende, voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten gedeponeerde
merken,
indien bij het publiek
verwarring, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk, kan
ontstaan;
c. overeenstemmende, voor
niet-soortgelijke waren of diensten gedeponeerde merken, die bekendheid in
het Benelux -gebied genieten,
indien door het gebruik, zonder geldige reden, van het jongere merk
ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken
uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend
vermogen of de reputatie van het
oudere merk.
Er wordt geen recht op een
merk verkregen door:
a. de inschrijving van een
merk dat, ongeacht het gebruik dat er van wordt gemaakt, in strijd is met de
goede zeden of de openbare orde
van één van de Benelux-landen, of ten aanzien waarvan
artikel 6ter van
het Verdrag van Parijs in
weigering of nietigverklaring voorziet;
b. de inschrijving van een
merk dat tot misleiding van het publiek kan leiden, bijvoorbeeld ten aanzien
van
aard, hoedanigheid of plaats
van herkomst van de waren of diensten;
c. de inschrijving van een
merk dat overeenstemt met een voor soortgelijke waren of diensten
ingeschreven collectief merk waaraan
een recht was verbonden dat is vervallen in de loop van de drie
jaren voorafgaande aan het
depot;
d. de inschrijving van een
merk dat overeenstemt met een door een derde voor soortgelijke waren of
diensten ingeschreven individueel
merk, waaraan een recht was verbonden, dat in de loop van de twee
jaren voorafgaande aan het
depot vervallen is door het verstrijken van de geldigheidsduur van de
inschrijving, tenzij die derde heeft
toegestemd of overeenkomstig artikel 2.26, lid 2, sub a, geen gebruik
van dit merk is gemaakt;
e. de inschrijving van een
merk dat verwarring kan stichten met een algemeen bekend merk in de zin van
artikel 6bis van het
Verdrag van Parijs dat toebehoort aan een derde die zijn toestemming niet heeft
verleend;
f. de inschrijving van een
merk, waarvan het depot te kwader trouw is verricht, met name:
1°. het
depot dat wordt verricht terwijl de deposant weet of behoort te weten, dat een
derde binnen de
laatste drie jaren in het Benelux
-gebied een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren of diensten
te
goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt, en die derde zijn toestemming
niet heeft verleend;
2°. het
depot dat wordt verricht terwijl de deposant op grond van zijn rechtstreekse
betrekking tot een
derde weet, dat die derde
binnen de laatste drie jaren buiten het Benelux -gebied een overeenstemmend
merk voor soortgelijke waren
of diensten te goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt, tenzij die
derde zijn toestemming heeft
verleend, of bedoelde wetenschap eerst is verkregen nadat de deposant
een begin had gemaakt met het
gebruik van het merk binnen het Benelux-gebied;
g. de inschrijving van
merken voor wijnen die geografische aanduidingen ter benoeming van wijnen
bevatten dan wel uit zulke
aanduidingen bestaan, of de inschrijving van merken voor spiritualiën die
geografische aanduidingen ter
benoeming van spiritualiën bevatten dan wel uit zulke aanduidingen
bestaan, met betrekking tot
wijnen of spiritualiën die niet deze oorsprong hebben, tenzij het depot dat
heeft geleid tot deze
inschrijving te goeder trouw is verricht voor 1 januari 2000 of voordat de
desbetreffende geografische aanduiding
in het land van oorsprong of de Gemeenschap is beschermd.
Hoofdstuk 2.
Depot, inschrijving en vernieuwing
1. Het Benelux -depot van
merken geschiedt, hetzij bij de nationale diensten, hetzij bij het Bureau, met
inachtneming van de in het
uitvoeringsreglement gestelde vereisten en tegen betaling van de
verschuldigde rechten. Er wordt
onderzocht of de overgelegde stukken aan de voor het
vaststellen van
een datum van depot gestelde
vereisten voldoen en de datum van depot wordt vastgesteld. Aan de
deposant wordt onverwijld
schriftelijk mededeling gedaan van de vastgestelde datum van depot dan wel
van de gronden voor het niet
toekennen van een depotdatum.
2. Indien bij het depot
niet is voldaan aan de overige in het uitvoeringsreglement gestelde vereisten,
wordt
de deposant hiervan
onverwijld schriftelijk in kennis gesteld onder opgave van de voorschriften
waaraan
niet is voldaan en wordt hij
in de gelegenheid gesteld daaraan alsnog te voldoen.
3. Het depot vervalt,
indien niet binnen de gestelde termijn voldaan is aan de bepalingen van het
uitvoeringsreglement.
4. Wanneer het depot
geschiedt bij een nationale dienst zendt deze het Benelux-depot
door aan het
Bureau, hetzij onverwijld na ontvangst van het depot, hetzij nadat is
vastgesteld dat het depot voldoet aan
de gestelde eisen.
5. Het Bureau publiceert, overeenkomstig de bepalingen van het uitvoeringsreglement,
het depot nadat
aan de vereisten voor het
vaststellen van een depotdatum is voldaan en de opgegeven waren of diensten
conform de Overeenkomst van Nice
zijn gerangschikt.
Artikel 2.6 Beroep op voorrang
1. Het beroep op een recht
van voorrang voortvloeiend uit het Verdrag van Parijs of het TRIPS verdrag
wordt gedaan bij het
depot.
2. Het recht van voorrang
als bedoeld in artikel 4 van het Verdrag van Parijs is eveneens van toepassing
op dienstmerken.
3. Het beroep op een recht
van voorrang kan tevens worden gedaan bij een bijzondere verklaring af te
leggen bij het Bureau, in de
maand volgende op het depot, met inachtneming van de bij
uitvoeringsreglement gestelde vormvereisten en
tegen betaling van de verschuldigde rechten.
4. Het ontbreken van een
dergelijk beroep doet het recht op voorrang vervallen.
Het Bureau verricht op
verzoek een onderzoek naar eerdere inschrijvingen.
1. Onverminderd de
toepassing van de artikelen 2.11, 2.14 en 2.16 wordt het gedeponeerde merk,
indien
aan de in het
uitvoeringsreglement gestelde vereisten is voldaan, voor de door de deposant
vermelde
waren of diensten ingeschreven.
Aan de merkhouder wordt een bewijs van inschrijving verstrekt.
2. De deposant kan, indien
aan alle in artikel 2.5 bedoelde vereisten is voldaan, het Bureau verzoeken,
overeenkomstig de bepalingen van het
uitvoeringsreglement, om onverwijld tot inschrijving van het depot
over te gaan. Op de aldus
ingeschreven merken zijn de artikelen 2.11, 2.12, 2.14, 2.16 en 2.17 van
toepassing, met dien verstande dat
het Bureau bevoegd is tot de doorhaling van de inschrijving te
besluiten en de merkhouder in
beroep kan verzoeken om handhaving van de inschrijving.
Artikel 2.9 Geldigheidsduur en vernieuwing
1. De inschrijving van een
merk, waarvan het depot is verricht binnen het Benelux-gebied
(Beneluxdepot),
heeft een geldigheidsduur van
10 jaren, te rekenen vanaf de datum van depot.
2. Het teken waaruit het
merk bestaat mag niet worden gewijzigd, noch gedurende de inschrijving noch
ter
gelegenheid van de vernieuwing daarvan.
3. De inschrijving wordt
op verzoek vernieuwd, voor verdere termijnen van 10 jaren, met inachtneming van
de bij uitvoeringsreglement
gestelde vormvereisten en tegen betaling van de verschuldigde rechten.
4. De vernieuwing moet
worden verzocht en de rechten moeten worden betaald binnen zes maanden
voorafgaand aan het verstrijken van
de geldigheidsduur van de inschrijving. Binnen zes maanden na
verstrijken van de geldigheidsduur
van de inschrijving kan de vernieuwing alsnog worden verzocht, indien
gelijktijdig een extra recht wordt
betaald. De vernieuwing gaat in op de datum van het verstrijken van de
geldigheidsduur van de inschrijving.
5. Zes maanden voor het
verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving herinnert het Bureau de
merkhouder schriftelijk aan de datum
van dat verstrijken.
6. Het Bureau zendt deze
herinneringsbrieven aan het laatste aan het Bureau bekende adres van de
merkhouder. Het niet-verzenden
of niet-ontvangen van deze brieven ontslaat de houder
niet van de
verplichtingen voortvloeiend uit lid 3
en 4. Daarop kan noch in rechte, noch ten opzichte van het Bureau
beroep worden
gedaan.
7. Het Bureau schrijft de
vernieuwingen in.
Artikel 2.10 Internationaal depot
1. De internationale
depots van merken geschieden volgens de bepalingen van de Overeenkomst van
Madrid en het Protocol van
Madrid. De nationale rechten, bedoeld in artikel 8, onder (1), van de
Overeenkomst van Madrid en
het Protocol van Madrid, alsmede de rechten bedoeld in
artikel 8, onder 7
(a), van het Protocol van
Madrid, worden bij uitvoeringsreglement bepaald.
2. Onverminderd de
toepassing van de artikelen 2.13 en 2.18 schrijft het Bureau de internationale
depots
in ten aanzien waarvan is
verzocht de bescherming uit te strekken tot het Benelux-gebied.
3. De deposant kan het
Bureau verzoeken, overeenkomstig de bepalingen van het
uitvoeringsreglement,
om onverwijld tot
inschrijving over te gaan. Op de aldus ingeschreven merken zijn de artikelen
2.11, 2.12,
2.14, 2.16 en 2.17 van
toepassing, met dien verstande dat het Bureau bevoegd is tot de doorhaling van
de inschrijving te
besluiten, en de merkhouder in beroep kan verzoeken om handhaving van de
inschrijving.
Hoofdstuk 3.
Toetsing op absolute gronden
Artikel 2.11 Weigering op absolute gronden
1. Het Bureau weigert een
merk in te schrijven indien naar zijn oordeel:
a. het teken geen merk kan
vormen in de zin van artikel 2.1, lid 1 en 2;
b. het merk elk
onderscheidend vermogen mist;
c. het merk uitsluitend
bestaat uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding
van soort, hoedanigheid,
hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van
vervaardiging van de waren of
verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
d. het merk uitsluitend
bestaat uit tekens of benamingen die in het normale taalgebruik of in het
bonafide
handelsverkeer gebruikelijk zijn
geworden;
e. het een merk betreft als
bedoeld in artikel 2.4, sub a, b of g.
2. De weigering om tot
inschrijving over te gaan moet het teken dat een merk vormt in zijn geheel
betreffen. Zij kan tot een of meer
van de waren of diensten waarvoor het merk bestemd is
worden beperkt.
3. Het Bureau geeft van
zijn voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren, onder opgave
van redenen, onverwijld
schriftelijk kennis aan de deposant en stelt hem in de gelegenheid hierop
binnen
een bij uitvoeringsreglement
gestelde termijn te antwoorden.
4. Indien de bezwaren van
het Bureau tegen de inschrijving niet binnen de gestelde termijn zijn
opgeheven, wordt de inschrijving
van het merk geheel of gedeeltelijk geweigerd. Van de weigering geeft
het Bureau onder opgave van
redenen onverwijld schriftelijk kennis aan de deposant, onder vermelding
van het in artikel 2.12
genoemde rechtsmiddel tegen die beslissing.
5. De weigering wordt
eerst definitief nadat de beslissing niet meer vatbaar is voor beroep, dan wel
in
voorkomend geval nadat de beslissing
van de appèlrechter niet langer vatbaar is voor voorziening in
cassatie.
Artikel 2.12 Beroep tegen de weigering
1. De deposant kan zich
binnen twee maanden na de kennisgeving bedoeld in artikel 2.11, lid 4, bij
verzoekschrift wenden tot het Hof van
Beroep te Brussel, het Gerechtshof te ’s-Gravenhage of het Cour
d’appel te Luxemburg teneinde een bevel tot inschrijving van het merk te
verkrijgen.
aangewezen personeelslid.
3. Het territoriaal
bevoegde hof wordt bepaald door het bij het depot vermelde adres van de
deposant of
zijn gemachtigde dan wel het
bij het depot opgegeven correspondentieadres. Indien noch de deposant,
noch diens gemachtigde een adres
of een correspondentieadres binnen het Benelux-gebied
heeft, dan is
het bevoegde hof het hof dat
gekozen wordt door de deposant.
4. Tegen de beslissing van
de appèlrechter staat voorziening in cassatie open, deze heeft opschortende
werking.
Artikel 2.13 Weigering op absolute gronden van internationale
depots
1. Artikel 2.11, lid 1 en
2, is van overeenkomstige toepassing op internationale depots.
2. Het Bureau geeft van
zijn voornemen de inschrijving te weigeren, onder opgave van redenen, zo
spoedig mogelijk schriftelijk
kennis aan het Internationaal Bureau door middel van een voorlopige gehele
of gedeeltelijke weigering
van bescherming va n het merk en stelt de deposant daarbij in de gelegenheid
hierop te antwoorden
overeenkomstig het bepaalde bij uitvoeringsreglement. Artikel 2.11, lid 4, is
van
overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 2.12 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het territoriaal bevoegde
hof
wordt bepaald door het
adres van de gemachtigde of door het correspondentieadres. Indien geen van
beide adressen zich binnen
het Benelux-gebied bevindt dan is het bevoegde hof
het hof dat gekozen
wordt door de deposant.
4. Van de beslissing
waartegen geen beroep meer openstaat geeft het Bureau
schriftelijk, onder opgave
van redenen, onverwijld
kennis aan het Internationaal Bureau.
Artikel 2.14 Instellen van de procedure
1. De deposant of houder
van een ouder merk kan, binnen een termijn van twee maanden, te rekenen
vanaf de eerste dag van de
maand volgende op de publicatie van het depot, schriftelijk oppositie instellen
bij het Bureau tegen een merk
dat:
a. in rangorde na het zijne
komt, overeenkomstig de bepalingen in artikel 2.3, sub a en b, of
b. verwarring kan stichten
met zijn algemeen bekend merk in de zin van artikel 6bis van het Verdrag
van
Parijs.
2. De licentiehouder
beschikt over hetzelfde recht indien hij daartoe van de merkhouder toestemming
heeft verkregen.
3. Oppositie kan op een of
meer oudere merken berusten.
4. De oppositie wordt pas geacht te zijn ingesteld, nadat de verschuldigde rechten
zijn betaald.
Artikel 2.15 Vertegenwoordiging bij oppositie
1. Behoudens lid 2, is
niemand verplicht zich voor het Bureau te doen vertegenwoordigen.
2. Onverminderd de tweede
zin van lid 3, moeten natuurlijke personen en rechtspersonen die op het
grondgebied van de Europese
Gemeenschap of Europese Economische Ruimte geen woonplaats, zetel
of werkelijke en feitelijke
vestiging voor bedrijf of handel hebben, zich doen vertegenwoordigen door een
gemachtigde bij een overeenkomstig
artikel 2.14 en 2.16 gevoerde oppositieprocedure.
3. Natuurlijke personen en
rechtspersonen die op het grondgebied van de Europese Gemeenschap of
Europese Economische
Ruimte een woonplaats, zetel of werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf
of
handel hebben,
kunnen in een oppositieprocedure optreden door tussenkomst van een werknemer
die
overeenkomstig de bepalingen van het
uitvoeringsreglement een ondertekende volmacht bij het Bureau
dient over te leggen. De
werknemer van een rechtspersoon als bedoeld in dit lid kan ook handelen voor
andere rechtspersonen die met
deze rechtspersoon economisch verbonden zijn, ook indien die andere
rechtspersonen op het grondgebied van de
Europese Gemeenschap of Europese Economische Ruimte
geen woonplaats, zetel of
werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf of handel hebben.
a. een in het register bij
het Bureau ingeschreven gemachtigde;
b. een advocaat die is
ingeschreven op het tableau van de rechtbank of van de orde of op de lijst van
stagiaires van een binnen het
Benelux -gebied gelegen balie;
c. een advocaat die de
nationaliteit heeft van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van de
Europese Economische Ruimte,
die gerechtigd is zijn beroep uit te oefenen op het grondgebied van een
der lidstaten en kantoor
houdt in de Europese Gemeenschap of Europese Economische Ruimte;
d. een persoon die de
nationaliteit heeft van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van de
Europese Economische
Ruimte en die gerechtigd is tot optreden als vertegenwoordiger in het kader van
oppositieprocedures voor het Bureau voor de
harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen
en modellen);
e. een persoon die de
nationaliteit heeft van en kantoor houdt in een lidstaat van de Europese
Gemeenschap of van de
Europese Economische Ruimte en die voldoet aan de voorwaarde van een
bijzondere beroepskwalificatie om te
kunnen optreden als vertegenwoordiger in oppositieprocedures voor
de centrale dienst voor de
industriële eigendom van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van
de Europese Economische
Ruimte;
f. een persoon die de
nationaliteit heeft van en kantoor houdt in een lidstaat van de Europese
Gemeenschap of van de Europese
Economische Ruimte en die sinds tenminste vijf jaar
regelmatig
optreedt als vertegenwoordiger in
oppositieprocedures voor de centrale dienst voor de industriële
eigendom van een lidstaat van de
Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte
waar deze bevoegdheid niet
afhankelijk is gesteld van een bijzondere beroepskwalificatie.
Artikel 2.16 Verloop van de procedure
1. Het Bureau behandelt de
oppositie binnen een redelijke termijn overeenkomstig
de bepalingen
vastgelegd in het uitvoeringsreglement
en met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor.
2. De oppositieprocedure
wordt opgeschort:
a. wanneer de oppositie op
een merkdepot berust;
b. wanneer een vordering
tot nietigverklaring of vervallenverklaring is ingesteld;
c. tijdens de duur van de weigeringsprocedure op absolute gronden;
d. op gezamenlijk verzoek
van partijen.
3. De oppositieprocedure
wordt afgesloten:
a. wanneer de opposant niet
langer de hoedanigheid heeft om op te kunnen treden of binnen de gestelde
termijn geen stukken heeft
overgelegd waaruit blijkt dat het recht op zijn merk niet ingevolge artikel
2.26,
lid 2, sub a, vervallen kan
worden verklaard;
b. wanneer verweerder niet
reageert op de ingestelde oppositie. In dit geval wordt hij geacht
afstand te
hebben gedaan van zijn rechten
op het depot;
c. wanneer aan de oppositie
de grondslag is ontvallen hetzij omdat zij is ingetrokken, hetzij omdat het
depot waartegen oppositie is
ingesteld is vervallen;
d. wanneer het oudere merk
niet meer geldig is.
In deze gevallen wordt een
deel van de betaalde rechten gerestitueerd.
4. Nadat het onderzoek van
de oppositie is beëindigd, neemt het Bureau zo spoedig mogelijk een
beslissing. Indien de oppositie
gegrond bevonden wordt, weigert het Bureau het merk
geheel of
gedeeltelijk in te schrijven. In het
tegengestelde geval wordt de oppositie afgewezen. De beslissing van
het Bureau wordt eerst
definitief nadat deze niet meer vatbaar is voor beroep, dan wel in voorkomend
geval nadat de beslissing van
de appèlrechter niet meer vatbaar is voor voorziening in cassatie.
5. De in het ongelijk
gestelde partij wordt in de kosten verwezen. Deze worden vastgesteld conform
het
bepaalde in het
uitvoeringsreglement. De kosten zijn niet verschuldigd indien de oppositie
gedeeltelijk
toegewezen wordt. De beslissing van
het Bureau tot vaststelling van de kosten vormt executoriale titel;
de gedwongen
tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen die van kracht zijn in de
staat van
executie.
1. Binnen twee maanden
nadat over de oppositie uitspraak is gedaan overeenkomstig
artikel 2.16, lid 4,
kunnen partijen zich bij
verzoekschrift wenden tot het Hof van Beroep te Brussel, het Gerechtshof te 's
-
Gravenhage of het Cour d’appel te Luxemburg teneinde een
bevel tot vernietiging van de beslissing van
het Bureau te verkrijgen.
2. Het territoriaal
bevoegde hof wordt bepaald door het adres van de oorspronkelijke verweerder,
het adres
van zijn gemachtigde dan wel
het bij het depot opgegeven correspondentieadres. Indien geen van die
adressen in het Benelux -gebied
gelegen is, wordt het territoriaal bevoegde hof bepaald door het adres van
de opposant of zijn
gemachtigde. Indien noch de opposant noch diens gemachtigde een adres of
correspondentieadres binnen het Benelux-gebied hebben, dan is het bevoegde hof het hof dat
gekozen is
door de partij die het beroep
instelt.
3. Tegen de beslissing van
de appèlrechter staat voorziening in cassatie open, deze heeft opschortende
werking.
Artikel 2.18 Oppositie tegen internationale depots
1. Tegen een
internationaal depot waarvan is verzocht de bescherming uit te strekken tot het
Benelux -
gebied kan binnen een termijn
van twee maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand
volgende op de publicatie door het
Internationaal Bureau, oppositie worden ingesteld bij het Bureau. De
artikelen 2.14 en 2.16 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Het Bureau geeft onverwijld schriftelijk kennis aan het Internationaal Bureau
van de ingediende
oppositie onder vermelding van het
bepaalde in de artikelen 2.14 tot en met 2.17 evenals de daarop
betrekking hebbende bepalingen uit
het uitvoeringsreglement.
3. Van de beslissing
waartegen geen beroep meer openstaat geeft het Bureau
schriftelijk, onder opgave
van redenen, onverwijld
kennis aan het Internationaal Bureau.
Hoofdstuk 5.
Rechten van de houder
Artikel 2.19 Registratieplicht
1. Behoudens de houder van
een algemeen bekend merk in de zin van artikel 6bis van het Verdrag van
Parijs kan niemand, welke
vordering hij ook instelt, in rechte bescherming inroepen voor een teken, dat
als merk wordt beschouwd in
de zin van artikel 2.1, lid 1 en 2, tenzij hij zich kan beroepen op een
inschrijving van het door hem
gedeponeerde merk.
3. De bepalingen van deze
titel laten onverlet het recht van gebruikers van een teken, dat niet als merk
wordt beschouwd in de zin
van artikel 2.1, lid 1 en 2, om de bepalingen van het gemene recht in te
roepen voor zover dit toestaat
zich te verzetten tegen onrechtmatig gebruik van dit teken.
Artikel 2.20 Beschermingsomvang
1. Het ingeschreven merk
geeft de houder een uitsluitend recht. Onverminderd de eventuele toepassing
van het gemene recht
betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan de merkhouder op
grond van zijn uitsluitend
recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het
gebruik
van een teken verbieden:
a. wanneer dat teken gelijk
is aan het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde
waren of diensten als die
waarvoor het merk is ingeschreven;
b. wanneer dat teken
gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch
verkeer gebruikt
wordt voor dezelfde of
soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan
ontstaan, inhoudende het gevaar
van associatie met het merk;
c. wanneer dat teken gelijk
is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt
wordt voor waren of
diensten, die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven,
indien
dit merk bekend is binnen het
Benelux-gebied en door het gebruik, zonder geldige
reden, van het teken
ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken
uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend
vermogen of de reputatie van het
merk;
d. wanneer dat teken
gebruikt wordt anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, indien door
gebruik, zonder geldige reden,
van dat teken ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk
wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
2. Voor de toepassing van
lid 1 wordt onder gebruik van een merk of een overeenstemmend teken met
name verstaan:
a. het aanbrengen van het
teken op de waren of op hun verpakking;
b. het aanbieden, in de
handel brengen of daartoe in voorraad hebben van waren
of het aanbieden of
verrichten van diensten onder het
teken;
c. het invoeren of uitvoeren
van waren onder het teken;
d. het gebruik van het
teken in stukken voor zakelijk gebruik en in de reclame.
3. Met de voor de
inschrijving der merken toegepaste rangschikking in klassen conform de
Overeenkomst van Nice
wordt geen rekening gehouden bij de beoordeling van de soortgelijkheid der
waren of diensten.
4. Het uitsluitend
recht op een merk luidende in één der nationale of streektalen van het Benelux
-gebied,
strekt zich van rechtswege uit
over zijn vertaling in een andere dezer talen. De beoordeling van de
overeenstemming voortvloeiende uit
vertalingen in een of meer aan het genoemde gebied vreemde talen
geschiedt door de rechter.
Artikel 2.21 Schadevergoeding en andere vorderingen
1. Onder dezelfde
voorwaarden als in artikel 2.20, lid 1, kan de merkhouder op grond van zijn
uitsluitend
recht schadevergoeding eisen
voor elke schade, die hij door het in die bepaling bedoelde gebruik lijdt.
2. Naast of in plaats van
een vordering tot schadevergoeding, kan de merkhouder een vordering instellen
tot het afdragen van ten
gevolge van dit gebruik genoten winst alsmede tot het afleggen van rekening en
verantwoording dienaangaande; indien de
rechter van oordeel is dat dit gebruik niet te kwader trouw is of
dat de omstandigheden van het
geval tot zulk een veroordeling geen aanleiding geven, wijst hij de
vordering af.
3. De merkhouder kan de
vordering tot schadevergoeding of het afdragen van winst namens de
licentiehouder instellen, onverminderd
de aan deze laatste in artikel 2.32, lid 4 en 5, toegekende
bevoegdheid.
4. De merkhouder kan een
redelijke vergoeding vorderen van hem, die in het tijdvak gelegen tussen de
datum van publicatie van het
depot en de datum van inschrijving van het merk, handelingen heeft verricht
als vermeld in artikel 2.20,
voor zover de merkhouder daarvoor uitsluitende rechten heeft verkregen.
1. De merkhouder heeft de
bevoegdheid roerende zaken, waarmee een inbreuk op zijn recht wordt
gemaakt of zaken die zijn
gebruikt bij de productie va n die zaken, als zijn eigendom op te vorderen dan
wel daarvan de vernietiging
of onbruikbaarmaking te vorderen. Gelijke bevoegdheid
tot opvordering bestaat
ten
aanzien van gelden, waarvan aannemelijk is dat zij zijn verkregen als gevolg
van inbreuk op het
merkrecht. De vordering wordt
afgewezen, indien de inbreuk niet te kwader trouw is gemaakt.
2. De bepalingen van het
nationale recht omtrent middelen van bewaring van zijn
recht en omtrent
rechterlijke tenuitvoerlegging van
vonnissen en authentieke akten zijn van toepassing.
3. De rechter kan gelasten
dat de afgifte niet plaatsvindt dan tegen een door hem vast te stellen, door de
eiser te betalen vergoeding.
4. De rechter kan, op
vordering van de merkhouder, degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt,
bevelen al hetgeen hem bekend is
omtrent de herkomst van de zaken, waarmee die inbreuk is gepleegd,
aan de merkhouder mee te
delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken.
Artikel 2.23 Beperking van het uitsluitend recht
1. Het uitsluitend
recht omvat niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik in het
economisch
verkeer door een derde:
a. van diens naam en adres;
b. van aanduidingen inzake soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde,
plaats van herkomst,
tijdstip van vervaardiging van de
waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of
diensten;
c. van het merk, wanneer dit
nodig is om de bestemming van een waar of dienst, met name als
accessoire of onderdeel, aan te
geven;
één en ander voor zover er
sprake is van een eerlijk gebruik in nijverheid en handel.
2. Het uitsluitend
recht op een merk omvat niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik, in
het
economisch verkeer, van een
overeenstemmend teken, dat zijn bescherming ontleent aan een ouder
recht van slechts plaatselijke
betekenis, indien en voor zover dat recht erkend is ingevolge de wettelijke
bepalingen van één van de Benelux
-landen.
3. Het uitsluitend
recht omvat niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik van het merk
voor waren,
die onder het merk door de
houder of met diens toestemming in de Europese Gemeenschap of de
Europese Economische
Ruimte in het verkeer zijn gebracht, tenzij er voor de houder gegronde redenen
zijn zich te verzetten tegen
verdere verhandeling van de waren, met name wanneer de toestand van de
waren, nadat zij in het verkeer
zijn gebracht, gewijzigd of verslechterd is.
Artikel 2.24 Rechtsverwerking wegens gedogen en verzetten tegen
gebruik
1. De houder van een ouder
merk die het gebruik van een ingeschreven jonger merk bewust heeft
gedoogd gedurende vijf
opeenvolgende jaren, kan zich niet meer verzetten tegen het gebruik van het
jongere merk ingevolge artikel
2.20, lid 1, sub a, b en c, met betrekking tot de waren of diensten
waarvoor dat merk is gebruikt,
tenzij het te kwader trouw gedeponeerd is.
2. Het gedogen van het
gebruik van een ingeschreven jonger merk als bedoeld in lid 1, geeft de houder
van het later ingeschreven
merk niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik van het oudere merk.
Hoofdstuk 6.
Doorhaling, verval en nietigheid
Artikel 2.25 Doorhaling op verzoek
1. De houder van een
Benelux -merk kan te allen tijde doorhaling van zijn inschrijving verzoeken.
2. Indien evenwel een licentie is ingeschreven, kan doorhaling van de
inschrijving van het merk alleen
worden verricht op
gezamenlijk verzoek van de merkhouder en de licentiehouder. Het in de vorige
volzin
bepaalde is van overeenkomstige
toepassing in het geval een pandrecht of beslag is ingeschreven.
3. De doorhaling geldt
voor het gehele Benelux -gebied.
4. Een tot een deel van
het Benelux -gebied beperkte afstand van de uit een internationaal depot
voortvloeiende bescherming geldt voor
het gehele gebied, niettegenstaande enige door de houder
afgelegde verklaring van het
tegendeel.
5. De vrijwillige
doorhaling kan tot één of meer van de waren of
diensten waarvoor het merk is
ingeschreven, worden beperkt.
Artikel 2.26 Verval van het recht
1. Het recht op het merk
vervalt:
a. door de vrijwillige
doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van
het merk;
b. door de doorhaling of
het verstrijken van de geldigheidsduur van de internationale inschrijving of
door
afstand van de bescherming in het
Benelux -gebied, of overeenkomstig het in artikel 6 van de
Overeenkomst en het
Protocol van Madrid bepaalde, door het feit dat het merk geen wettelijke
bescherming meer geniet in het land
van oorsprong.
2. Het recht op een merk
wordt, binnen de in artikel 2.27 gestelde grenzen, vervallen verklaard voor
zover
na de datum van
inschrijving:
a. gedurende een
ononderbroken tijdvak van vijf jaren zonder geldige reden geen normaal gebruik van
het
merk is gemaakt binnen het Benelux-gebied voor de waren of diensten waarvoor het merk
is
ingeschreven; in een geding kan de
rechter de merkhouder geheel of gedeeltelijk met het bewijs van het
gebruik belasten;
b. het merk door toedoen
of nalaten van de merkhouder tot de in de handel gebruikelijke benaming is
geworden van een waar of dienst
waarvoor het is ingeschreven;
c. het merk, als gevolg van
het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de merkhouder, of met zijn
instemming, voor de waren of diensten
waarvoor het is ingeschreven, het publiek kan misleiden, met
name omtrent de aard, de
hoedanigheid of de plaats van herkomst van deze waren of diensten.
3. Voor de toepassing van
lid 2, sub a, wordt onder gebruik van het merk mede verstaan:
a. het gebruik van het merk
in een op onderdelen afwijkende vorm, zonder dat het onderscheidend
vermogen van het merk in de vorm
waarin het is ingeschreven, wordt gewijzigd;
b. het aanbrengen van het
merk op waren of de verpakking ervan, uitsluitend met het oog op uitvoer;
c. het gebruik van het merk
door een derde met toestemming van de merkhouder.
Artikel 2.27 Inroepen van het verval
1. Iedere belanghebbende
kan het verval van het merkrecht inroepen in de gevallen vermeld in artikel
2.26, lid 2.
2. Het verval van een
merkrecht op grond van artikel 2.26, lid 2, sub a, kan niet meer worden
ingeroepen,
wanneer het merk in de periode
tussen het verstrijken van de periode van vijf jaren en de instelling van de
vordering tot vervallenverklaring
voor het eerst of opnieuw normaal is gebruikt. Begin van gebruik of
hernieuwd gebruik binnen drie
maanden voorafgaand aan de instelling van de vordering tot
vervallenverklaring wordt echter niet in
aanmerking genomen, indien de voorbereiding van het begin van
gebruik of van hernieuwd gebruik
pas wordt getroffen nadat de merkhouder er kennis van heeft genomen
dat een vordering tot
vervallenverklaring zou kunnen worden ingesteld.
3. De houder van het
merkrecht ten aanzien waarvan het verval ingevolge lid
2 niet meer kan worden
ingeroepen, kan zich niet ingevolge
2.20, lid 1, sub a, b en c, verzetten tegen gebruik van een merk
waarvan het depot is verricht
tijdens de periode waarin het oudere merkrecht vervallen kon worden
verklaard op grond van artikel
2.26, lid 2, sub a.
4. De houder van het
merkrecht ten aanzien waarvan het verval ingevolge lid
2 niet meer kan worden
ingeroepen, kan niet overeenkomstig
het in artikel 2.28, lid 3, bepaalde de nietigheid inroepen van de
inschrijving van een merk, waarvan het
depot is verricht tijdens de periode waarin het oudere merkrecht
vervallen kon worden verklaard op
grond van artikel 2.26, lid 2, sub a.
Artikel 2.28 Inroepen van de nietigheid
1. Iedere belanghebbende,
met inbegrip van het Openbaar Ministerie, kan de nietigheid inroepen:
a. van de inschrijving van
het teken dat geen merk kan vormen in de zin van artikel 2.1, lid 1 en 2;
b. van de inschrijving van
het merk dat elk onderscheidend vermogen mist;
c. van de inschrijving van
het merk dat uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in de handel
kunnen dienen tot aanduiding van
soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van
herkomst of het tijdstip van
vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken
van de waren of diensten;
d. van de inschrijving van
het merk dat uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in het normale
taalgebruik of in het bonafide
handelsverkeer gebruikelijk zijn geworden;
e. van de inschrijving van
het merk waarvoor krachtens artikel 2.4, sub a, b en g, geen merkrecht wordt
verkregen.
f. van de inschrijving van
het merk waarvoor krachtens artikel 2.4, sub c, geen merkrecht wordt verkregen
op voorwaarde dat de
nietigheid wordt ingeroepen binnen een termijn van vijf jaren, te rekenen van
de
datum van inschrijving.
2. De rechter kan oordelen
dat de merken zoals bedoeld in lid 1, sub b, c en d,
na inschrijving door
gebruik onderscheidend vermogen
hebben verkregen.
3. Wanneer de houder van
de eerdere inschrijving of de in artikel 2.4, sub d, e en f bedoelde derde aan
het geding deelneemt, kan
iedere belanghebbende de nietigheid inroepen:
a. van de inschrijving van
het merk waarvan het depot in rangorde na het depot van een
overeenstemmend merk komt, overeenkomstig
het bepaalde in artikel 2.3;
b. van de inschrijving van
het merk waarvoor krachtens artikel 2.4, sub d, e en
f, geen merkrecht wordt
verkregen; de nietigheid op grond
van artikel 2.4, sub d, moet worden ingeroepen binnen een termijn van
drie jaren, te rekenen van
de datum waarop de geldigheidsduur der eerdere inschrijving verstrijkt; de
nietigheid op grond van artikel 2.4,
sub e en f moet worden ingeroepen binnen een termijn van vijf jaren, te
rekenen van de datum van
inschrijving. Deze termijn van vijf jaren is niet van toepassing op
inschrijvingen
van merken als bedoeld in
artikel 2.4, sub e, welke te kwader trouw zijn gedeponeerd.
4. Wordt het geding tot
nietigverklaring door het Openbaar Ministerie aanhangig gemaakt, dan zijn in de
in lid 1 vermelde gevallen
alleen de rechter te Brussel, 's-Gravenhage en te Luxemburg bevoegd. Het
aanhangig maken van het geding door
het Openbaar Ministerie schorst ieder ander op dezelfde grondslag
ingesteld geding.
Artikel 2.29 Rechtsverwerking wegens gedogen en inroepen van
nietigheid
De houder van een ouder
merk die het gebruik van een ingeschreven jonger merk bewust heeft gedoogd
gedurende vijf opeenvolgende jaren,
kan niet meer op grond van zijn oudere recht de nietigheid van het
jongere merk inroepen ingevolge
artikel 2.28, lid 3, sub a, tenzij het te kwader trouw gedeponeerd is.
Artikel 2.30 Reikwijdte van de nietig- en vervallenverklaring en
vrijwillige doorhaling
1. De nietigverklaring van
een inschrijving, de vervallenverklaring van het recht op een merk of de
vrijwillige
doorhaling van een inschrijving moet
het teken, dat het merk vormt, in zijn geheel betreffen.
2. De nietig- of
vervallenverklaring moet tot één of meer van de waren
of diensten, waarvoor het merk is
ingeschreven, worden beperkt, indien
de grond voor de nietigheid of het verval slechts een deel van die
waren of diensten betreft.
Hoofdstuk 7.
Overgang, licentie en andere rechten
1. Het merk kan,
onafhankelijk van de overdracht van de onderneming of een deel daarvan,
overgaan voor
alle of een deel van de waren of diensten waarvoor het is gedeponeerd of
ingeschreven.
2. Nietig is:
a. de overdracht onder
levenden die niet schriftelijk is vastgelegd;
b. de overdracht of andere
overgang die niet op het gehele Benelux -gebied betrekking heeft.
1. Het merk kan voorwerp
van een licentie zijn voor alle of een deel van de waren
of diensten waarvoor het
is gedeponeerd of
ingeschreven.
2. Het uitsluitend
recht op een merk kan door de merkhouder ingeroepen worden tegen een
licentiehouder die handelt in strijd met
de bepalingen van de licentieovereenkomst inzake de duur
daarvan, de door de inschrijving
gedekte vorm waarin het merk mag worden gebruikt, de waren of
diensten waarvoor de licentie is
verleend, het grondgebied waarbinnen het merk mag worden aangebracht
of de kwaliteit van de door
de licentiehouder in het verkeer gebrachte waren of diensten.
3. De doorhaling van de
inschrijving van de licentie in het register vindt slechts plaats op
gezamenlijk
verzoek van merkhouder en de
licentiehouder.
4. De licentiehouder is
bevoegd in een door de merkhouder ingestelde vordering als bedoeld in artikel
2.21, lid 1 en 2, tussen
te komen om rechtstreeks door hem geleden schade vergoed te krijgen of zich
een evenredig deel van de
door de gedaagde genoten winst te doen toewijzen.
5. Een zelfstandige
vordering als bedoeld in het vorige lid kan de licentiehouder slechts
instellen, indien
hij de bevoegdheid daartoe
van de merkhouder heeft bedongen.
6. De licentiehouder heeft
het recht de in artikel 2.22, lid 1, bedoelde bevoegdheden uit te oefenen, voor
zover deze strekken tot
bescherming van de rechten waarvan hem de uitoefening is toegestaan, indien hij
daartoe toestemming van de
merkhouder heeft verkregen.
Artikel 2.33 Derdenwerking
De overdracht of andere
overgang of de licentie kan niet aan derden worden tegengeworpen dan na
inschrijving van het depot van een
uittreksel der akte, waaruit van die overgang of die licentie blijkt, of van
een daarop betrekking
hebbende, door de betrokken partijen ondertekende verklaring, mits dit depot is
verricht met inachtneming van de
bij uitvoeringsreglement gestelde vormvereisten en tegen betaling van
de verschuldigde rechten.
Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op
pandrechten en beslagen.
Hoofdstuk 8.
Collectieve merken
Artikel 2.34 Collectieve merken
1. Als collectieve merken
worden beschouwd alle tekens, die aldus bij het depot worden aangeduid en
die dienen om één of meer
gemeenschappelijke kenmerken te onderscheiden van waren afkomstig van of
diensten verleend door
verschillende ondernemingen, die het merk onder toezicht van de houder
gebruiken.
2. De houder mag geen
gebruik maken van het merk voor waren die afkomstig zijn uit of voor diensten
verleend door zijn eigen
onderneming of een onderneming, aan welker bestuur of toezicht hij onmiddellijk
of middellijk deelneemt.
3. Eveneens worden als
collectieve merken beschouwd alle tekens die aldus bij het depot worden
aangeduid en die dienen in het
economisch verkeer tot aanduiding van de geografische herkomst van de
waren of diensten. Een zodanig
merk geeft de houder niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik
door een derde van die tekens
in het economisch verkeer in overeenstemming met eerlijke gebruiken in
handel en nijverheid; met name
kan een zodanig merk niet worden ingeroepen tegen een derde die
gerechtigd is de desbetreffende
geografische benaming te gebruiken.
Artikel 2.35 Overeenkomstige toepassing
Behoudens bepaling van het
tegendeel zijn individuele en collectieve merken aan dezelfde regelen
onderworpen.
1. Het uitsluitend
recht op een collectief merk wordt slechts verkregen, indien het depot van het
merk
vergezeld gaat van een reglement op
het gebruik en het toezicht.
2. Indien het evenwel gaat om een internationaal depot kan de deposant dit
reglement nog deponeren
gedurende een termijn van zes
maanden te rekenen van de in de Overeenkomst en het Protocol van
Madrid in artikel 3, sub
(4), bedoelde kennisgeving van de internationale inschrijving.
Artikel 2.37 Reglement op het gebruik en toezicht
1. Het bij een collectief
merk behorende reglement op het gebruik en het toezicht moet de
gemeenschappelijke kenmerken van de waren of
diensten vermelden, tot waarborg waarvan het merk
bestemd is.
2. Het moet eveneens
bepalen op welke wijze een deugdelijk en doeltreffend toezicht op deze
kenmerken wordt gehouden, met de bijhorende passende sancties.
Artikel 2.4, sub c, is
niet van toepassing op de inschrijving van een collectief merk, dat door de
vroegere
houder van de inschrijving van
een overeenstemmend collectief merk of door zijn rechtverkrijgende wordt
verricht.
Artikel 2.39 Weigering van de inschrijving
Het Bureau mag het Benelux-depot van een collectief merk niet inschrijven,
indien het bij dat merk
behorende reglement op het gebruik
en het toezicht niet volgens de in artikel 2.36 gestelde voorwaarden
is gedeponeerd.
Artikel 2.40 Wijziging reglement op het gebruik en toezicht
1. De houders van
collectieve merken zijn verplicht van iedere wijziging van het bij het merk
behorende
reglement op het gebruik en het
toezicht aan het Bureau kennis te geven.
2. Deze kennisgeving wordt
door het Bureau ingeschreven.
3. De wijziging treedt
niet in werking voor de kennisgeving bedoeld in lid 1 en 2.
Artikel 2.41 Personen die het merkrecht kunnen inroepen
1. Het recht om ter
bescherming van een collectief merk in rechte op te treden komt uitsluitend toe
aan
de houder van dat merk.
2. Het reglement op het
gebruik en het toezicht kan evenwel aan personen, aan
wie het gebruik van het
merk is toegestaan, het recht
toekennen tezamen met de houder een vordering in te stellen of in een
door of tegen deze aangevangen
geding zich te voegen of tussen te komen.
3. Het reglement op het
gebruik en het toezicht kan eveneens bepalen, dat de houder, die alleen
optreedt, het bijzonder belang van
de gebruikers van het merk kan laten gelden en in zijn eis tot
schadevergoeding de bijzondere schade, die
één of meer van hen hebben geleden, kan opnemen.
Artikel 2.42 Inroepen van verval door belanghebbenden
1. Onverminderd het bij
artikel 2.27 bepaalde, kan iedere belanghebbende, met inbegrip van het
Openbaar Ministerie, het
verval inroepen van het recht op een collectief merk, indien de houder het merk
gebruikt onder de voorwaarden
bedoeld in artikel 2.34, lid 2, of instemt met een gebruik in strijd met de
bepalingen van het reglement op het
gebruik en het toezicht, dan wel zodanig gebruik gedoogt.
2. Wordt het geding tot
vervallenverklaring aanhangig gemaakt door het Openbaar Ministerie, dan is
alleen de rechter te Brussel, te
's-Gravenhage en te Luxemburg bevoegd.
3. Het aanhangig maken van
het geding door het Openbaar Ministerie schorst ieder ander op dezelfde
grondslag ingesteld geding.
Artikel 2.43 Inroepen van de nietigheid door het Openbaar
Ministerie
1. Onverminderd het bij
artikel 2.28 bepaalde kan het Openbaar Ministerie de nietigheid inroepen van de
inschrijving van een collectief merk
wanneer het reglement op het gebruik en het toezicht in strijd is met
de openbare orde, of wanneer
het niet in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 2.37.
2. Het Openbaar Ministerie
kan eveneens de nietigheid inroepen van de wijzigingen van het reglement op
het gebruik en het toezicht,
indien deze in strijd zijn met de openbare orde of met de bepalingen van
artikel 2.37, of indien deze tot
verzwakking van de door het reglement aan het publiek gegeven
waarborgen leiden.
3. Alleen de rechter te
Brussel, te 's-Gravenhage en te Luxemburg is bevoegd uitspraak te doen in deze
gedingen; hij spreekt ambtshalve
de doorhaling uit van de nietig verklaarde inschrijvingen of van de nietig
verklaarde wijzigingen.
De collectieve merken, die
zijn vervallen, nietig verklaard of doorgehaald, evenals die, ten aanzien
waarvan vernieuwing niet is
geschied en een herstel als bedoeld in artikel 2.38 is uitgebleven, mogen
gedurende de drie jaren die volgen
op de datum van de inschrijving van het verval, de nietigverklaring, de
doorhaling of het verstrijken van de
geldigheidsduur der niet vernieuwde inschrijving, onder geen beding
worden gebruikt, behalve
door degene die zich op een ouder recht op een individueel, overeenstemmend
merk kan beroepen.
Hoofdstuk 9.
Bepalingen inzake Gemeenschapsmerken
Artikel 2.3 en artikel
2.28, lid 3, sub a, zijn van overeenkomstige toepassing in geval de
inschrijving
berust op een eerder depot van
een Gemeenschapsmerk.
Artikel 2.3 en artikel
2.28, lid 3, sub a, zijn eveneens van toepassing op Gemeenschapsmerken,
waarvoor overeenkomstig de Gemeenschapsmerkenverordening op geldige wijze de
anciënniteit voor het
Benelux -gebied wordt
ingeroepen, ook al is de aan de anciënniteit ten grondslag liggende Benelux -
of
internationale inschrijving vrijwillig
doorgehaald of de geldigheidsduur daarvan verstreken.
Artikel 2.47 Inroepen van de nietigheid of het verval van het
oudere recht
Indien voor een
Gemeenschapsmerk de anciënniteit van een ouder merkrecht wordt ingeroepen, kan
de
nietigheid of het verval van dat
ouder recht worden ingeroepen, zelfs indien dat recht reeds is vervallen
door de vrijwillige doorhaling
of het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving.
TITEL III: TEKENINGEN OF
MODELLEN
Hoofdstuk 1.
Tekeningen of modellen
Artikel 3.1 Tekeningen of modellen
1. Een tekening of model
wordt beschermd voor zover de tekening of het model nieuw is en een eigen
karakter heeft.
2. Als tekening of model
wordt beschouwd het uiterlijk van een voortbrengsel of een deel ervan.
3. Het uiterlijk van een
voortbrengsel wordt afgeleid uit de kenmerken van met name
de lijnen, de omtrek,
de kleuren, de vorm, de
textuur of de materialen van het voortbrengsel zelf of de versiering ervan.
4. Onder voortbrengsel
wordt verstaan elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp,
met
inbegrip van onder meer onderdelen
die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden
samengevoegd, verpakkingen,
uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen.
Computerprogramma’s worden
niet als voortbrengsel aangemerkt.
1. Van de bescherming uit hoofde van deze titel zijn uitgesloten:
a. de uiterlijke kenmerken
van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden
bepaald;
b. de uiterlijke kenmerken
van een voortbrengsel die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en
afmetingen gereproduceerd moeten
worden om het voortbrengsel waarin de tekening of het model
verwerkt is of waarop het
toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of
om het in, rond of tegen een
ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen
zijn functie kan vervullen.
binnen een modulair systeem de
meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare
voortbrengselen mogelijk te maken,
beschermd door een modelrecht onder de in artikel 3.1, lid 1,
gestelde voorwaarden.
Artikel 3.3 Nieuwheid en eigen karakter
1. Een tekening of model
wordt als nieuw beschouwd, indien er geen identieke tekening of identiek
model voor het publiek
beschikbaar is gesteld vóór de datum van depot of vóór de datum van voorrang.
Tekeningen of modellen
worden geacht identiek te zijn, indien de kenmerken
ervan slechts in
onbelangrijke details verschillen.
2. Een tekening of model
wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de
algemene indruk die
deze tekening of dit model bij
de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij
die gebruiker wordt gewekt
door tekeningen of modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld
vóór de datum van depot of
vóór de datum van voorrang. Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt
rekening gehouden met de mate van
vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van de tekening of het
model.
3. Voor de beoordeling van
de nieuwheid en het eigen karakter wordt een tekening of model geacht voor
het publiek beschikbaar te
zijn gesteld, indien deze tekening of dit model is gepubliceerd na inschrijving
of op andere wijze, of is
tentoongesteld, in de handel is gebracht of anderszins openbaar is gemaakt,
tenzij deze feiten bij een
normale gang van zaken redelijkerwijs niet vóór de datum van depot of vóór de
datum van voorrang ter kennis
konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector, die in de
Europese Gemeenschap of de
Europese Economische Ruimte werkzaam zijn. De tekening of het model
wordt echter niet geacht voor
het publiek beschikbaar te zijn gesteld, louter omdat het onder
uitdrukkelijke of stilzwijgende
voorwaarde van geheimhouding aan een derde bekendgemaakt is.
4. Voor de beoordeling van
de nieuwheid en het eigen karakter wordt beschikbaarstelling voor het publiek
van een tekening of model
waarvoor op grond van een inschrijving aanspraak op bescherming wordt
gemaakt, niet in aanmerking
genomen, indien, binnen twaalf maanden voorafgaand aan de datum van
depot of de datum van voorrang:
a. de beschikbaarstelling
is geschied door de ontwerper, zijn rechtverkrijgende of een derde op grond van
door de ontwerper of diens
rechtverkrijgende verstrekte informatie of genomen maatregelen, of
b. de beschikbaarstelling
is geschied ten gevolge van misbruik jegens de ontwerper
of diens
rechtverkrijgende.
5. Onder het recht van
voorrang wordt verstaan het recht als bedoeld in artikel 4 van het Verdrag van
Parijs. Hierop kan een
beroep gedaan worden door degene die op regelmatige wijze een aanvraag om
een tekening of model of een
gebruiksmodel heeft ingediend in een der landen die partij zijn bij genoemd
verdrag of bij het TRIPS verdrag.
Artikel 3.4 Onderdelen van samengestelde voortbrengselen
1. Een tekening die of
model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel
van
een samengesteld
voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw te zijn en een eigen karakter
te
hebben:
a. voor zover het
onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij
normaal
gebruik van dit laatste zichtbaar
blijft, en
b. voor zover deze
zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake
nieuwheid en eigen karakter
voldoen.
2. Onder samengesteld
voortbrengsel wordt in deze titel verstaan een voortbrengsel dat bestaat uit
meerdere onderdelen die
vervangen kunnen worden, zodat het voortbrengsel uit elkaar gehaald en weer in
elkaar gezet kan worden.
3. Normaal gebruik in de
zin van lid 1, houdt het gebruik door de eindgebruiker in, met uitzondering van
handelingen in verband met onderhoud
of reparatie.
Artikel 3.5 Verkrijging van het recht
1. Onverminderd het recht
van voorrang wordt het uitsluitend recht op een
tekening of model verkregen
door de inschrijving van het
depot, verricht binnen het Benelux -gebied bij het Bureau (Benelux-depot), of
verricht bij het Internationaal
Bureau (internationaal depot).
2. Indien bij samenloop
van depots het eerste depot niet wordt gevolgd door de publicatie als bedoeld
in
artikel 3.11, lid 2, van dit
verdrag of in artikel 6, onder 3 van de Overeenkomst van 's-Gravenhage,
verkrijgt
het latere depot de rang van
eerste depot.
Binnen de in artikelen
3.23 en 3.24, lid 2, gestelde grenzen wordt geen recht op een tekening of model
verkregen door de inschrijving
indien:
a. de tekening of het model
in strijd is met een oudere tekening die of ouder model dat na de datum van
depot of na de datum van
voorrang voor het publiek beschikbaar is gesteld en vanaf een aan deze datum
voorafgaand tijdstip beschermd wordt
door een uitsluitend recht dat voortvloeit uit een
Gemeenschapsmodel, de
inschrijving van een Benelux -depot dan wel door een internationaal depot;
b. in de tekening of het
model gebruik gemaakt wordt van een ouder merk zonder toestemming van de
houder van dit merk;
c. in de tekening of het
model gebruik gemaakt wordt van een reeds bestaand auteursrechtelijk
beschermd werk zonder toestemming
van de houder van dit auteursrecht;
d. de tekening of het
model oneigenlijk gebruik vormt van een van de in artikel 6ter van het Verdrag
van
Parijs genoemde zaken;
e. de tekening of het model
in strijd is met de goede zeden of de openbare orde van één der Benelux -
landen;
f. de kenmerkende
eigenschappen van de tekening of het model onvoldoende uit het depot blijken.
Artikel 3.7 Opeising van een depot
1. Binnen een termijn van
vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van publicatie van de inschrijving van
het
depot, kan de ontwerper van de
tekening of het model, dan wel degene die volgens artikel 3.8 als
ontwerper wordt beschouwd, het
recht op het Benelux -depot of de voor het Benelux-gebied
uit het
internationaal depot van die tekening of
dat model voortvloeiende rechten opeisen, indien het depot
zonder zijn toestemming door een
derde is verricht; om dezelfde redenen kan hij te allen tijde de
nietigheid inroepen van de
inschrijving van dat depot of van die rechten. De vordering tot opeising moet
bij
het Bureau worden
ingeschreven op verzoek van de eiser, met inachtneming van de bij
uitvoeringsreglement gestelde vormvereisten en
tegen betaling van de verschuldigde rechten.
2. Indien de in lid 1
bedoelde deposant gehele of gedeeltelijke doorhaling heeft verzocht van de
inschrijving van het Benelux-depot of afstand heeft gedaan van de rechten, die
voor het Benelux-gebied
uit het internationaal depot
voortvloeien, heeft deze doorhaling of afstand geen werking ten aanzien van
de ontwerper of van degene
die volgens artikel 3.8 als ontwerper wordt beschouwd onder voorbehoud van
lid 3, mits het depot werd
opgeëist binnen één jaar na de datum van publicatie van de doorhaling of
afstand en vóór het verstrijken
van de in lid 1 genoemde termijn van vijf jaren.
3. Indien in het tijdvak
gelegen tussen de doorhaling of afstand bedoeld in lid 2, en de inschrijving
van de
vordering tot opeising, een derde
te goeder trouw een voortbrengsel heeft geëxploiteerd dat hetzelfde
uiterlijk vertoont, wordt dit
voortbrengsel als rechtmatig in het verkeer gebracht beschouwd.
Artikel 3.8 Rechten van werk- en opdrachtgevers
1. Indien een tekening of
model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie werd ontworpen,
wordt, behoudens
andersluidend beding, de werkgever als ontwerper beschouwd.
2. Indien een tekening of
model op bestelling is ontworpen, wordt, behoudens andersluidend beding,
degene die de bestelling heeft
gedaan als ontwerper beschouwd, mits de bestelling is gedaan met het
oog op een gebruik in handel
of nijverheid van het voortbrengsel waarin de tekening of het model is
belichaamd.
Hoofdstuk 2.
Depot, inschrijving en vernieuwing
1. Het Benelux-depot
van tekeningen of modellen geschiedt hetzij bij de nationale diensten, hetzij
bij het
Bureau, met inachtneming
van de bij uitvoeringsreglement gestelde vormvereisten en tegen betaling van
de verschuldigde rechten.
Het Benelux-depot kan één of meer tekeningen of
modellen bevatten
(respectievelijk
enkelvoudig en meervoudig depot). Er wordt onderzocht of de overgelegde stukken
aan de
voor het vaststellen van een
datum van depot gestelde vereisten voldoen en de datum van het depot wordt
vastgesteld. Aan de deposant wordt onverwijld schriftelijk mededeling gedaan van de
vastgestelde datum
van depot dan wel van de
gronden voor het niet toekennen van een depotdatum.
2. Indien bij het depot
niet is voldaan aan de overige in het uitvoeringsreglement gestelde vereisten,
wordt
de deposant hiervan
onverwijld schriftelijk in kennis gesteld, onder opgave van de voorschriften
waaraan
niet is voldaan en wordt hij
in de gelegenheid gesteld daaraan alsnog te voldoen.
3. Het depot vervalt, indien
niet binnen de gestelde termijn voldaan is aan de bepalingen van het
uitvoeringsreglement.
4. Wanneer het depot
geschiedt bij een nationale dienst, zendt deze het Benelux -depot door aan het
Bureau, hetzij onverwijld na ontvangst van het depot, hetzij nadat is
vastgesteld dat het depot voldoet aan
de in lid 1 tot en met 3
gestelde vereisten.
5. Onverminderd de
toepassing op Benelux-depots van artikel 3.13, kan
het depot van een tekening of
model geen aanleiding geven tot
enig onderzoek naar de inhoud van het depot, waarvan de uitkomst de
deposant door het Bureau zou
kunnen worden tegengeworpen.
Artikel 3.10 Beroep op voorrang
1. Het beroep op het recht
van voorrang wordt gedaan bij het depot of door een bijzondere verklaring, af
te
leggen bij het Bureau in de
maand, volgende op het depot, met inachtneming van de bij
uitvoeringsreglement gestelde vormvereisten en
tegen betaling van de verschuldigde rechten.
2. Het ontbreken van een
dergelijk beroep doet het recht van voorrang vervallen.
1. Het Bureau schrijft onverwijld de Benelux-depots in,
evenals de internationale depots die gepubliceerd
zijn in het “Bulletin
International des dessins ou modèles
– International Design Gazette” ten aanzien
waarvan de deposanten verzocht hebben
dat zij hun werking zullen uitstrekken over het Benelux-gebied.
2. Onverminderd het
bepaalde in artikelen 3.12 en 3.13, publiceert het Bureau overeenkomstig
het
uitvoeringsreglement zo spoedig mogelijk de
inschrijvingen van Benelux -depots.
3. Indien de kenmerkende
eigenschappen van de tekening of het model in de publicatie niet voldoende tot
hun recht komen, kan de
deposant, binnen de daartoe vastgestelde termijn, het Bureau verzoeken
kosteloos een tweede publicatie te
verrichten.
4. Vanaf de datum van
publicatie van de tekening of het model kan het publiek kennis nemen van de
inschrijving en van de bij het depot
overgelegde stukken.
Artikel 3.12 Opschorting publicatie op verzoek
1. De deposant kan bij het
verrichten van het Benelux -depot verzoeken de publicatie van de inschrijving
op te schorten gedurende een
periode die niet meer mag bedragen dan twaalf maanden te rekenen vanaf
de datum van het depot of
vanaf de datum waarop het recht van voorrang is ontstaan.
2. Indien de deposant
gebruik maakt van de in lid 1 geboden mogelijkheid schort het Bureau de
publicatie op conform het verzoek.
Artikel 3.13 Strijd met openbare orde en goede zeden
1. Indien het Bureau
oordeelt, dat op de tekening of het model artikel 3.6, sub e, van toepassing is
schort
hij de publicatie op.
2. Het Bureau stelt de
deposant daarvan in kennis en verzoekt hem zijn depot binnen een termijn van
twee maanden in te
trekken.
3. Indien de
belanghebbende na het verstrijken van deze termijn zijn depot niet heeft
ingetrokken,
verzoekt het Bureau zo spoedig
mogelijk het Openbaar Ministerie een vordering in te stellen tot
nietigverklaring van het depot.
4. Indien het Openbaar
Ministerie van oordeel is dat er geen aanleiding bestaat tot het instellen van
een
dergelijke vordering of indien de
vordering werd afgewezen bij een rechterlijke beslissing die niet meer
vatbaar is voor verzet, noch
beroep, noch voor voorziening in cassatie, gaat het Bureau onverwijld over tot
publicatie van de inschrijving van
de tekening of het model.
Artikel 3.14 Geldigheidsduur en vernieuwing
1. De inschrijving van een
Benelux-depot heeft een geldigheidsduur van vijf
jaren te rekenen van de datum
van het depot. Onverminderd
het bepaalde in artikel 3.24, lid 2, kan de gedeponeerde tekening of het
gedeponeerde model noch gedurende de
inschrijving, noch ter gelegenheid van de vernieuwing daarvan
worden gewijzigd.
2. De inschrijving kan
voor vier achtereenvolgende termijnen van vijf jaren worden vernieuwd tot een
maximale geldigheidsduur van 25
jaar.
3. Vernieuwing geschiedt
door betaling van het daartoe vastgestelde recht. Dit recht dient betaald te
worden binnen twaalf maanden
voorafgaand aan het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving;
het kan nog betaald worden
binnen zes maanden die volgen op de datum van het verstrijken van de
geldigheidsduur, indien gelijktijdig een
extra recht wordt betaald. De vernieuwing heeft effect vanaf het
verstrijken van de geldigheidsduur
van de inschrijving.
4. De vernieuwing kan tot
een deel van de in een meervoudig depot vervatte tekeningen of modellen
worden beperkt.
5. Zes maanden voor het
verstrijken van de geldigheidsduur van de eerste tot en met de vierde termijn
van
inschrijving herinnert het Bureau aan
de datum van dat verstrijken door verzending van een kennisgeving
aan de houder van de tekening
of het model, en aan de derden van wie rechten op de tekening of het
model in het register zijn
ingeschreven.
6. Het Bureau verzendt
deze kennisgevingen aan het laatste hem bekende adres van betrokkenen. Het
niet-verzenden of niet-ontvangen van
deze brieven ontslaat de houder niet van de verplichtingen
voortvloeiend uit lid 3. Daarop kan
noch in rechte noch ten opzichte van het Bureau beroep worden
gedaan.
7. Het Bureau schrijft de
vernieuwingen in en publiceert deze overeenkomstig het
uitvoeringsreglement.
Artikel 3.15 Internationale depots
De internationale depots
geschieden volgens de bepalingen van de Overeenkomst van 's -Gravenhage.
Hoofdstuk 3.
Rechten van de houder
Artikel 3.16 Beschermingsomvang
1. Onverminderd de
toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit
onrechtmatige
daad, kan de houder van een
tekening of model zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten tegen
het gebruik van een
voortbrengsel waarin de tekening of het model is verwerkt of waarop de tekening
of
het model is toegepast en dat
hetzelfde uiterlijk vertoont als de gedeponeerde tekening of het
gedeponeerde model, dan wel dat bij de
geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt,
rekening houdend met de mate van
vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van de tekening of het
model.
2. Onder gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel
brengen, verkopen,
leveren, verhuren, invoeren,
uitvoeren, tentoonstellen, gebruiken of in voorraad hebben voor een van deze
doeleinden.
Artikel 3.17 Schadevergoeding en andere vorderingen
1. De houder kan op grond
van het uitsluitend recht slechts schadevergoeding
vorderen voor de in artikel
3.16 opgesomde
handelingen, indien deze hebben plaatsgevonden na de in artikel 3.11 bedoelde
publicatie, waarin de kenmerkende
eigenschappen van de tekening of het model op voldoende wijze
werden weergegeven.
2. Naast of in plaats van
een vordering tot schadevergoeding kan de houder van het uitsluitend
recht een
vordering instellen tot het
afdragen van winst, welke is genoten als gevolg van handelingen bedoeld in
artikel 3.16, onder de
omstandigheden bedoeld in lid 1 van het onderhavige artikel, alsmede tot het
afleggen van rekening en
verantwoording dienaangaande. Indien de rechter van oordeel is dat de
genoemde handelingen niet te
kwader trouw zijn verricht of dat de omstandigheden van het geval geen
aanleiding geven tot een
veroordeling tot afdracht van onrechtmatig genoten winst, wijst hij de
vordering
af.
3. De houder van het uitsluitend recht op een tekening of model kan de vordering
tot schadevergoeding of
het afdragen van winst namens
de licentiehouder instellen, onverminderd de aan deze laatste in artikel
3.26, lid 4, toegekende
bevoegdheid.
4. Vanaf de datum van
depot kan een redelijke vergoeding gevorderd worden van degene die met
wetenschap van het depot handelingen
heeft verricht als bedoeld in artikel 3.16, voor zover de houder
daarvoor uitsluitende rechten
heeft gekregen.
1. De houder van een
uitsluitend recht op een tekening of model heeft de bevoegdheid roerende zaken,
waarmee inbreuk op zijn recht
wordt gemaakt of zaken die gebruikt zijn bij de productie van die zaken,
als zijn eigendom op te
vorderen dan wel daarvan de vernietiging of onbruikbaarmaking
te vorderen.
Gelijke bevoegdheid tot
opvordering bestaat ten aanzien van gelden waarvan aannemelijk is dat zij zijn
verkregen als gevolg van inbreuk op
het uitsluitend recht op een tekening of model. De vordering wordt
afgewezen indien de inbreuk niet te
kwader trouw is gemaakt.
2. De bepalingen van het
nationale recht omtrent de middelen van bewaring van
zijn recht en omtrent de
rechterlijke tenuitvoerlegging van
vonnissen en authentieke akten zijn van toepassing.
3. De rechter kan gelasten
dat de afgifte niet plaatsvindt dan tegen een door hem vast te stellen, door de
eiser te betalen vergoeding.
4. De rechter kan op
vordering van de houder van het uitsluitend recht op
een tekening of model, degene
die inbreuk op diens recht
heeft gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst van de
zaken waarmee die inbreuk is
gepleegd, aan de houder mee te delen en alle daarop betrekking
hebbende gegevens aan deze te
verstrekken.
Artikel 3.19 Beperking van het uitsluitend recht
1. Het uitsluitend
recht op een tekening of model houdt niet in het recht zich te verzetten tegen:
a. handelingen in de
particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden;
b. handelingen voor
experimentele doeleinden;
c. handelingen bestaande in
reproductie ter illustratie of ten behoeve van onderwijs, mits deze
handelingen verenigbaar zijn met de
eerlijke handelsgebruiken, zij niet zonder noodzaak afbreuk doen
aan de normale exploitatie
van de tekening of het model, en de bron wordt vermeld.
2. Het uitsluitend
recht op een tekening of model houdt evenmin het recht in zich te verzetten
tegen:
a. de uitrusting van in een
ander land geregistreerde vaartuigen en luchtvaartuigen die zich tijdelijk
binnen
het Benelux-gebied
bevinden;
b. de invoer in het
Benelux -gebied van vervangingsonderdelen en toebehoren ter reparatie van
dergelijke
vervoermiddelen;
c. reparaties aan dergelijke
vervoermiddelen.
3. Het uitsluitend
recht op een tekening of model dat een onderdeel vormt van een samengesteld
voortbrengsel houdt niet het recht in
zich te verzetten tegen het gebruik van de tekening of het model voor
reparatie van dit samengestelde
voortbrengsel met de bedoeling het zijn oorspronkelijke uiterlijk terug te
geven.
4. Het uitsluitend
recht op een tekening of model houdt niet in het recht zich te verzetten tegen
de in
artikel 3.16 bedoelde handelingen
die betrekking hebben op voortbrengselen die in één der lidstaten van
de Europese Gemeenschap of
van de Europese Economische Ruimte in het verkeer zijn gebracht door
de houder of met diens
toestemming, of tegen handelingen als bedoeld in artikel 3.20.
5. De vorderingen kunnen
geen betrekking hebben op voortbrengselen die vóór de datum van het depot in
het Benelux-gebied
in het verkeer werden gebracht.
Artikel 3.20 Recht van voorgebruik
1. Een recht van
voorgebruik wordt toegekend aan de derde die, vóór de datum van het depot van
een
tekening of model of vóór de datum
van voorrang, binnen het Benelux -gebied voortbrengselen heeft
vervaardigd die hetzelfde uiterlijk
vertonen als de gedeponeerde tekening of het gedeponeerde model, dan
wel bij de geïnformeerde
gebruiker geen andere algemene indruk wekken.
2. Hetzelfde recht wordt
toegekend aan degene die onder dezelfde omstandigheden een begin heeft
gemaakt met de uitvoering van
zijn voornemen tot vervaardiging.
3. Dit recht wordt echter
niet toegekend aan de derde, die de tekening of het model zonder toestemming
van de ontwerper heeft
nagemaakt.
4. Op grond van het recht
van voorgebruik kan de houder daarvan de vervaardiging van bedoelde
voortbrengselen voortzetten of, in het
geval bedoeld in lid 2, een aanvang maken met deze vervaardiging
en, niettegenstaande het uit
de inschrijving voortvloeiende recht, alle andere in artikel 3.16 bedoelde
handelingen verrichten, met
uitzondering van invoer.
5. Het recht van
voorgebruik kan slechts overgaan tezamen met het
bedrijf waarin de handelingen, die
hebben geleid tot het ontstaan
van dat recht, hebben plaatsgevonden.
Hoofdstuk 4.
Doorhaling, verval en nietigheid
Artikel 3.21 Doorhaling op verzoek
1. De houder van de
inschrijving van een Benelux-depot kan te allen tijde
de doorhaling van deze
inschrijving verzoeken, behalve indien
er rechten van derden bestaan, die bij overeenkomst zijn
vastgelegd of in rechte worden
vervolgd en welke ter kennis van het Bureau zijn gebracht.
2. Indien het een
meervoudig depot betreft, kan de doorhaling betrekking hebben op een deel van
de in
dat depot vervatte tekeningen
of modellen.
3. Indien een licentie is
ingeschreven kan de doorhaling van de inschrijving van de tekening of het model
slechts worden verricht op
gezamenlijk verzoek van de houder van de inschrijving en de licentiehouder.
Het in de vorige volzin
bepaalde is van overeenkomstige toepassing in het geval een pandrecht of een
beslag is ingeschreven.
4. De doorhaling geldt
voor het gehele Benelux -gebied ondanks andersluidende verklaring.
5. De in dit artikel
opgenomen bepalingen gelden eveneens ten aanzien van de afstand van de
bescherming die voor het Benelux-gebied uit een internationaal depot voortvloeit.
Artikel 3.22 Verval van het recht
Behoudens het bepaalde in
artikel 3.7, lid 2, vervalt het uitsluitend recht op
een tekening of model:
a. door vrijwillige
doorhaling of door het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving
van het
Benelux -depot;
b. door het verstrijken
van de geldigheidsduur van de inschrijving van het internationaal
depot of door
afstand van rechten, die voor het
Benelux -gebied uit het internationaal depot voortvloeien of door
ambtshalve doorhaling van het
internationaal depot, bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder c, van de
Overeenkomst van ‘s-Gravenhage.
Artikel 3.23 Inroepen van de nietigheid
1. Iedere belanghebbende
met inbegrip van het Openbaar Ministerie kan de nietigheid inroepen van de
inschrijving van een tekening of model
indien:
a. de tekening of het model
geen tekening of model is in de zin van artikel 3.1, lid 2 en 3;
b. de tekening of het
model niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 3.1, lid 1, en de
artikelen
3.3 en 3.4;
c. de tekening of het model
onder de toepassing van artikel 3.2 valt;
d. door die inschrijving krachtens artikel 3.6, sub e of f, geen recht op een
tekening of model wordt
verkregen.
2. Enkel de deposant of
houder van een uitsluitend recht op een tekening of model dat voortvloeit uit
een
inschrijving van een
Gemeenschapsmodel, een Benelux-inschrijving, of een
internationaal depot, kan de
nietigheid inroepen van de
inschrijving van een met zijn recht strijdig jonger depot van een tekening of
model, indien krachtens artikel
3.6, sub a, door de inschrijving geen recht op de tekening of het model
wordt verkregen.
3. Enkel de houder van een
ouder merkrecht of de houder van een ouder auteursrecht kan de nietigheid
van de inschrijving van het
Benelux -depot of de voor het Benelux -gebied uit het internationaal depot van
die tekening of dat model
voortvloeiende rechten inroepen, indien krachtens artikel 3.6, sub b,
respectievelijk sub c, geen recht op de
tekening of het model wordt verkregen.
4. Enkel de belanghebbende
kan de nietigheid van de inschrijving van de tekening of het model inroepen,
indien krachtens artikel 3.6,
sub d, geen recht op de tekening of het model wordt verkregen.
5. Enkel de ontwerper van
een tekening of model als bedoeld in artikel 3.7, lid 1, kan onder de
voorwaarden genoemd in dat artikel de
nietigheid inroepen van de inschrijving van een depot van de
tekening of het model, dat zonder
zijn toestemming is verricht door een derde.
6. De inschrijving van het
depot van een tekening of model kan ook na verval of afstand nietig worden
verklaard.
7. Wordt het geding tot
nietigverklaring door het Openbaar Ministerie aanhangig gemaakt, dan zijn
alleen
de rechter te Brussel, te ‘s-Gravenhage of te Luxemburg bevoegd. Het aanhangig maken
van het geding
door het Openbaar Ministerie
schorst ieder ander op dezelfde grondslag ingesteld geding.
Artikel 3.24 Reikwijdte van de nietig- en vervallenverklaring en de
vrijwillige doorhaling
1. Behoudens het bepaalde
in lid 2, hebben de nietigverklaring, de vrijwillige doorhaling en de afstand
steeds betrekking op de gehele
tekening of het gehele model.
2. Wanneer de inschrijving
van het depot van een tekening of model op grond van artikel 3.6, sub b, c, d
of e, en artikel 3.23, lid
1, sub b en c, nietig kan worden verklaard, kan het depot worden gehandhaafd in
gewijzigde vorm, indien de tekening
of het model in die vorm aan de beschermingsvoorwaarden voldoet
en de identiteit ervan
behouden blijft.
3. De handhaving bedoeld
in lid 2, kan erin bestaan dat een verklaring van de houder dat hij
gedeeltelijk
afziet van aanspraken op het
recht, of een rechterlijke beslissing waarbij het recht gedeeltelijk nietig is
verklaard en die niet meer vatbaar
is voor verzet noch voor hoger beroep noch voor voorziening in
cassatie, wordt ingeschreven.
Hoofdstuk 5.
Overgang, licentie en andere rechten
1. Het uitsluitend
recht op een tekening of model kan overgaan.
2. Nietig zijn:
a. overdrachten onder
levenden, die niet schriftelijk zijn vastgelegd;
b. overdrachten of andere
overgangen, die niet op het gehele Benelux -gebied betrekking hebben.
1. Het uitsluitend
recht op een tekening of model kan voorwerp van een licentie zijn.
2. Het uitsluitend
recht op een tekening of model kan door de houder daarvan ingeroepen worden
tegen
een licentiehouder die
handelt in strijd met de bepalingen van de licentieovereenkomst inzake de duur
daarvan, de door de inschrijving
gedekte vorm waarin de tekening of het model mag worden gebruikt, de
voortbrengselen waarvoor de licentie is
verleend en de kwaliteit van de door de licentiehouder in het
verkeer gebrachte
voortbrengselen.
3. De doorhaling van de
inschrijving van de licentie in het register vindt slechts plaats op
gezamenlijk
verzoek van merkhouder en de
licentiehouder.
4. De licentiehouder is
bevoegd in een door de houder van het uitsluitend
recht op een tekening of model
ingestelde vordering als bedoeld in
artikel 3.17, lid 1 en 2, tussen te komen om rechtstreeks de door
hem geleden schade vergoed te
krijgen of zich een evenredig deel van de door de gedaagde genoten
winst te doen toewijzen. Een
zelfstandige vordering als bedoeld in artikel 3.17, lid 1 en 2, kan de
licentiehouder slechts instellen indien
hij de bevoegdheid daartoe van de houder van het uitsluitend recht
heeft bedongen.
5. De licentiehouder heeft
het recht de in artikel 3.18, lid 1, bedoelde bevoegdheden uit te oefenen voor
zover deze strekken tot
bescherming van de rechten waarvan hem de uitoefening is toegestaan, indien hij
daartoe toestemming van de houder
van het uitsluitend recht op een tekening of model heeft verkregen.
Artikel 3.27 Derdenwerking
De overdracht of andere
overgang of de licentie kan niet aan derden worden tegengeworpen dan na
inschrijving van het depot van een
uittreksel van de akte, waaruit van die overgang of die licentie blijkt, of
van een daarop betrekking
hebbende door de betrokken partijen ondertekende verklaring, mits dit depot
is verricht met inachtneming
van de bij uitvoeringsreglement gestelde vormvereisten en tegen betaling van
de verschuldigde rechten.
Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op
pandrechten en beslagen.
Hoofdstuk 6.
Samenloop met het auteursrecht
1. Door de ontwerper van
een krachtens de auteurswet beschermd werk aan een
derde verleende
toestemming tot het verrichten van
een depot voor een tekening of model, waarin dat werk is belichaamd,
houdt overdracht in van het op
dit werk betrekking hebbende auteursrecht, voorzover bedoeld werk in die
tekening of dat model is
belichaamd.
2. De deposant van een
tekening of model wordt vermoed tevens de houder te zijn van het desbetreffende
auteursrecht; dit vermoeden geldt
echter niet ten aanzien van de werkelijke ontwerper of zijn
rechtverkrijgende.
3. Onverminderd de
toepassing van artikel 3.25 houdt overdracht van het auteursrecht inzake een
tekening of model tevens
overdracht in van het recht op de tekening of het model en omgekeerd.
Artikel 3.29 Auteursrecht van werk - en opdrachtgevers
Wanneer een tekening of
model onder de omstandigheden als bedoeld in artikel 3.8 werd ontworpen,
komt het auteursrecht inzake
bedoelde tekening of model toe aan degene die overeenkomstig het in dat
artikel bepaalde als de ontwerper
wordt beschouwd.
TITEL IV: BEPALINGEN
GEMEENSCHAPPELIJK AAN MERKEN EN TEKENINGEN OF MODELLEN
Hoofdstuk 1.
Gemachtigdenregister
Artikel 4.1 Algemene bepalingen inzake het gemachtigdenregister
1. Het Bureau houdt, overeenkomstig de bepalingen van het uitvoeringsreglement,
een register van
merken- en tekeningen- of
modellengemachtigden in stand, waaruit kan worden afgeleid wie ingevolge dit
verdrag aan de eisen van
vakbekwaamheid van merken- en tekeningen- of modellengemachtigde voldoet.
Het register is voor
iedereen kosteloos ter inzage.
a. beschikt over een door
de Raad van Bestuur erkend diploma of soortgelijk bewijsstuk, dan wel
b. beschikt over een door
de Directeur-Generaal afgegeven getuigschrift waaruit
blijkt dat met goed
gevolg een proeve van
bekwaamheid is afgelegd, dan wel
c. beschikt over een door de
Directeur-Generaal verleende ontheffing van de plicht
om een document als
bedoeld sub a of b, over te
leggen.
3. De Raad van Bestuur
erkent een diploma als bedoeld in lid 2, sub a, indien hij oordeelt dat het
door de
organisatie, die in het diploma
verstrekt, af te nemen examen leidt tot voldoende kennis van de Benelux
regelgeving en de belangrijkste
internationale regelingen met betrekking tot het merkenrecht en het
tekeningen- of modellenrecht, evenals
tot voldoende vaardigheid om deze te kunnen toepassen.
Artikel 4.2 Beroep tegen weigering tot inschrijving in het register
of erkenning diploma
inschrijving in een register, dan wel
een weigering tot erkenning of een intrekking van de erkenning van
een diploma kan een
belanghebbende zich binnen twee maanden na een dergelijke weigering, doorhaling
of intrekking bij
verzoekschrift wenden tot het Hof van Beroep te Brussel, het Gerechtshof te ’s
-
Gravenhage of het Cour d'appel te Luxemburg teneinde een
bevel tot inschrijving in het register of een
erkenning van een diploma te
verkrijgen.
aangewezen personeelslid.
3. Tegen de beslissing van
de appèlrechter staat voorziening in cassatie open, welke opschortende
werking heeft.
Artikel 4.3 Misbruik door niet-ingeschreven personen
Het is anderen dan degenen
die in een register als bedoeld in artikel 4.1, lid 1, zijn ingeschreven,
verboden zichzelf in het
economisch verkeer aan te duiden alsof zij in bedoeld register zouden zijn
ingeschreven. Bij uitvoeringsreglement
worden nadere regels gesteld.
Hoofdstuk 2.
Overige taken van het Bureau
Het Bureau is, behalve met
de in de voorgaande titels opgedragen taken, belast met:
a. het aanbrengen van
wijzigingen in de depots en inschrijvingen, hetzij op verzoek van de houder,
hetzij
op grond van kennisgevingen
van het Internationaal Bureau of van rechterlijke beslissingen, alsmede het
zonodig daarvan verwittigen van
het Internationaal Bureau;
b. het publiceren van de
inschrijvingen van de Benelux -depots van merken en tekeningen of modellen en
alle andere vermeldingen
voorgeschreven bij uitvoeringsreglement;
c. het verstrekken op
verzoek van iedere belanghebbende van afschriften van inschrijvingen;
d. het aan eenieder op verzoek verstrekken van inlichtingen uit het
register van merken- en tekeningen- of
modellengemachtigden alsmede omtrent de bij of
krachtens dit verdrag gegeven voorschriften ten aanzien
van de registratie van
merken- en tekeningen- of modellengemachtigden.
Hoofdstuk 3.
Rechterlijke bevoegdheid
Artikel 4.5 Geschillenbeslechting
1. Alleen de rechter is
bevoegd uitspraak te doen in gedingen, welke op dit verdrag zijn gegrond.
2. De
niet-ontvankelijkheid die voortvloeit uit het ontbreken van de inschrijving van
een depot van het merk
of de tekening of het model,
wordt opgeheven door inschrijving of vernieuwing van de inschrijving van het
merk of de tekening of het
model tijdens het geding.
3. De rechter spreekt
ambtshalve de doorhaling uit van de nietig of vervallen verklaarde
inschrijvingen.
Artikel 4.6 Territoriale bevoegdheid
1. Behoudens uitdrukkelijk
afwijkende overeenkomst wordt de territoriale bevoegdheid van de rechter
inzake merken of tekeningen of
modellen bepaald door de woonplaats van de gedaagde of door de
plaats, waar de in geding zijnde
verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De
plaats waar een merk of een
tekening of model is gedeponeerd of ingeschreven kan in geen geval op
zichzelf grondslag zijn voor het
bepalen van de bevoegdheid.
2. Indien de hierboven
gegeven regelen niet toereikend zijn ter bepaling van de territoriale
bevoegdheid,
kan de eiser de zaak bij de
rechter van zijn woon- of verblijfplaats of, indien hij geen woon- of
verblijfplaats
binnen het Benelux-gebied
heeft, naar keuze bij de rechter te Brussel, te ‘s-Gravenhage
of te Luxemburg
aanhangig maken.
3. De rechters passen de
in lid 1 en 2 gegeven regelen ambtshalve toe en stellen hun bevoegdheid
uitdrukkelijk vast.
4. De rechter, voor wie de
hoofdvordering aanhangig is, neemt kennis van eisen in vrijwaring, van eisen
tot
voeging en tussenkomst en van
incidentele eisen, alsmede van eisen in reconventie, tenzij hij onbevoegd
is ten aanzien van het onderwerp
van het geschil.
5. De rechters van één der
drie landen verwijzen op vordering van één der partijen de geschillen,
waarmede men zich tot hen heeft
gewend, naar die van één der twee andere landen, wanneer deze
geschillen daar reeds aanhangig zijn
of wanneer zij verknocht zijn aan andere, aan het oordeel van deze
rechters onderworpen geschillen.
De verwijzing kan slechts worden gevorderd, wanneer de zaken in
eerste aanleg aanhangig zijn.
Zij geschiedt naar de rechter, bij wie de zaak het eerst bij een inleidend
stuk aanhangig is gemaakt,
tenzij een andere rechter terzake een eerdere uitspraak heeft gegeven, die
niet louter een maatregel van
orde is; in het eerste geval geschiedt de verwijzing naar die andere rechter.
Hoofdstuk 4.
Overige bepalingen
Artikel 4.7 Rechtstreekse werking
Onderdanen van Benelux-landen, alsmede onderdanen
van landen welke geen deel uitmaken van de door
het Verdrag van Parijs
opgerichte Unie, die woonplaats hebben in het Benelux -gebied of aldaar een
daadwerkelijke en wezenlijke nijverheids
- of handelsonderneming hebben, kunnen ingevolge dit verdrag,
voor dit gehele gebied, de
toepassing te hunnen voordele inroepen van de bepalingen van het Verdrag van
Parijs, van de
Overeenkomst en het Protocol van Madrid, van de Overeenkomst van ’s-Gravenhage
en het
TRIPS verdrag.
Artikel 4.8 Ander toepasselijk recht
De bepalingen van dit
verdrag doen geen afbreuk aan de toepassing van het Verdrag van Parijs, het
TRIPS verdrag, de
Overeenkomst en het Protocol van Madrid, de Overeenkomst van ’s-Gravenhage
alsmede de bepalingen van
Belgisch, Luxemburgs of Nederlands recht, waaruit een verbod een merk te
gebruiken voortvloeit.
Artikel 4.9 Rechten en termijnen
1. Alle voor handelingen
bij of door het Bureau verschuldigde rechten worden bepaald bij
uitvoeringsreglement.
2. Alle voor handelingen
bij of door het Bureau geldende termijnen, die niet in het verdrag zijn
bepaald,
worden bepaald bij
uitvoeringsreglement.
Artikel 5.1 De Organisatie rechtsopvolger van de Bureaus
1. De Organisatie is de
rechtsopvolger van het Benelux-Merkenbureau,
ingesteld ingevolge artikel 1 van
het Benelux -Verdrag inzake
de warenmerken van 19 maart 1962, en van het Benelux-Bureau
voor
Tekeningen of Modellen,
ingesteld ingevolge artikel 1 van het Benelux -Verdrag
inzake tekeningen of
modellen van 25 oktober 1966. Op
de Organisatie gaan met ingang van de dag waarop dit verdrag in
werking treedt, alle rechten en
verplichtingen van het Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor
Tekeningen of Modellen
over.
2. Met ingang van de dag
van inwerkingtreding van dit verdrag wordt het Protocol betreffende de
rechtspersoonlijkheid van het Benelux-Merkenbureau en van het Benelux -Bureau voor
tekeningen of
modellen van 6 november 1981 ingetrokken.
Artikel 5.2 Beëindiging van de Benelux -verdragen inzake merken, tekeningen of modellen
Met ingang van de dag
waarop dit verdrag in werking treedt, worden het Benelux -Verdrag inzake de
warenmerken van 19 maart 1962 en het
Benelux -Verdrag inzake tekeningen of modellen van 25 oktober
1966 beëindigd.
Artikel 5.3 Eerbiediging van de bestaande rechten
De rechten die onder de
eenvormige Beneluxwet op de merken
onderscheidenlijk de eenvormige
Beneluxwet inzake
tekeningen of modellen bestonden, worden gehandhaafd.
Artikel 5.4 Openstelling per klasse van de oppositieprocedure
Artikel III van het
protocol van 11 december 2001 houdende wijziging van de eenvormige Beneluxwet op
de merken blijft van
toepassing.
Artikel 5.5 Eerste uitvoeringsreglement
In afwijking van het
bepaalde in artikel 1.9, lid 2, zijn de Raad van Bestuur van het Benelux-Merkenbureau
en de Raad van Bestuur van
het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen
bevoegd het eerste
uitvoeringsreglement gezamenlijk vast te
stellen.
TITEL VI: SLOTBEPALINGEN
Dit verdrag zal worden
bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd
bij de
Regering van het
Koninkrijk België.
1. Dit verdrag treedt,
onverminderd het bepaalde in de leden 2 en
derde maand, volgende op de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging.
2. Artikel 2.15, hoofdstuk
1 van titel IV en artikel 4.4, sub d, treden in werking op een bij
uitvoeringsreglement te bepalen datum, waarbij
voor de inwerkingtreding van deze bepalingen
verschillende data kunnen worden
vastgesteld.
3. Artikel 5.5 wordt
voorlopig toegepast.
Artikel 6.3 Duur van het verdrag
1. Dit verdrag wordt
gesloten voor onbepaalde tijd.
2. Dit verdrag kan worden
opgezegd door ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
3. De opzegging wordt van
kracht uiterlijk op de eerste dag van het vijfde jaar volgende op het jaar
waarin
de kennisgeving is ontvangen
door de beide andere Hoge Verdragsluitende Partijen, of op een andere
datum te bepalen door de Hoge
Verdragsluitende Partijen gezamenlijk.
Artikel 6.4 Protocol inzake voorrechten en immuniteiten
Het protocol inzake voorrechten en immuniteiten vormt een wezenlijk
onderdeel van dit verdrag.
Artikel 6.5 Uitvoeringsreglement
1. De uitvoering van dit
verdrag wordt geregeld bij uitvoeringsreglement. Dit wordt bekendgemaakt in het
officiële publicatieblad van ieder
der Hoge Verdragsluitende Partijen.
2. Indien de tekst van dit
verdrag en het uitvoeringsreglement met elkaar in strijd zijn, geeft de tekst
van
het verdrag de doorslag.
Ten blijke
waarvan de Gevolmachtigden dit verdrag hebben ondertekend en voorzien van hun
zegel.
Gedaan te Den Haag op 25
februari
beide teksten gelijkelijk authentiek.
Voor het Koninkrijk België :
K. de Gucht
Voor het Groothertogdom Luxemburg :
J. Asselborn
Voor het Koninkrijk der Nederlanden :
B.R. Bot